ECLI:NL:CRVB:2011:BP7537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder over verschillende perioden. Het College van B&W van Delft trok de bijstand in vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met betrokkene zonder dit te melden, en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding niet van toepassing was vóór de geboorte van het kind op 3 december 2002. Daarom werd het besluit tot intrekking over de periode van 1 november 2001 tot en met 3 augustus 2002 vernietigd.
Voor de periode van 12 februari 2003 tot en met 30 juni 2005 was sprake van een gezamenlijke huishouding, waarbij appellante de inlichtingenplicht schond. De Raad bevestigde de intrekking van de bijstand over deze periode.
De Raad veroordeelde het College in de proceskosten en bepaalde dat het College het betaalde griffierecht aan appellante moest vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd voor 1 november 2001 tot 3 augustus 2002 en bevestigd voor de periode daarna.