ECLI:NL:CRVB:2011:BP7616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over weigering WW-uitkering wegens vermeend alcoholgebruik tijdens werk
Appellant trad op 26 januari 2009 in dienst als taxichauffeur en werd op 16 februari 2009 tijdens de proeftijd ontslagen wegens vermeend alcoholgebruik tijdens het werk. Het UWV weigerde daarop de WW-uitkering blijvend geheel, omdat zij aannam dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door dronkenschap tijdens werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep betwistte appellant het alcoholgebruik en stelde dat er onvoldoende bewijs was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende bewijs had geleverd, aangezien het slechts een e-mail en verklaringen van niet bij naam genoemde personen had overgelegd. Het enkel ruiken van alcohollucht door anonieme collega’s en klanten volstaat niet als bewijs voor dronkenschap tijdens het werk.
De Raad droeg het UWV op het besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen en tevens het verzoek van appellant om schadevergoeding mee te nemen. Het beroep werd dus niet inhoudelijk beslist, maar het UWV kreeg de opdracht om het besluit opnieuw te beoordelen met betere onderbouwing.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit tot weigering van de WW-uitkering te herstellen wegens onvoldoende bewijs van dronkenschap tijdens werk.