ECLI:NL:CRVB:2011:BP9613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzonder geval bij late aanvraag WAO-uitkering bladenman
Appellant, werkzaam als bladenman, werd arbeidsongeschikt op 30 april 1999 en kreeg vanaf 28 april 2000 een WAZ-uitkering toegekend. Na een beleidswijziging door het Uwv werden bladenmannen met ingang van 1 januari 1999 als werknemers aangemerkt, wat gevolgen had voor de verzekeringsplicht en uitkeringsaanvragen.
Appellant verzocht op 21 augustus 2007 om een WAO-uitkering met ingang van 27 april 2000, maar deze aanvraag werd als te laat beschouwd. Volgens artikel 35, tweede lid, van de WAO kan een uitkering niet eerder ingaan dan één jaar voor de aanvraagdatum, tenzij sprake is van een bijzonder geval.
De Raad overwoog dat appellant geen omstandigheden had gesteld die een bijzonder geval aannemelijk maken, zoals een geestelijke gezondheidstoestand die het inzicht in de aanvraag belemmerde. Ook de stelling dat de oorspronkelijke WAZ-toekenning onzorgvuldig was, kon dit niet rechtvaardigen omdat destijds geen rechtsmiddelen waren aangewend.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit dat geen bijzonder geval aanwezig is en dat de WAO-uitkering niet eerder kan ingaan dan één jaar voor de fictieve aanvraagdatum van 2 oktober 2006.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen; geen bijzonder geval voor eerdere ingangsdatum WAO-uitkering.