ECLI:NL:CRVB:2011:BP9725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1 januari 2007
Appellante ontving vanaf 11 augustus 2005 bijstand als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een fraudesignaal werd een onderzoek ingesteld naar haar woon- en leefsituatie, waarbij werd vastgesteld dat zij vanaf 1 januari 2007 een gezamenlijke huishouding voerde met [v. S.].
Het College trok de bijstand per 1 januari 2007 in en vorderde de ten onrechte ontvangen bijstand terug. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond. In hoger beroep stond alleen nog ter discussie of de gezamenlijke huishouding reeds vanaf 1 januari 2007 bestond.
De Raad oordeelde dat uit verklaringen van appellante en [v. S.] blijkt dat zij vanaf die datum samenwoonden, zorg droegen voor elkaar en gezamenlijke huishoudelijke taken verrichtten. Hierdoor was appellante niet langer zelfstandig voor bijstand en had zij haar inlichtingenplicht geschonden.
Appellante voerde aan dat er dringende redenen waren om terugvordering te matigen vanwege geweld en bedreigingen door haar ex-echtgenoot. De Raad vond deze omstandigheden echter niet relevant voor de terugvordering, omdat zij zich voordeden vóór de terugvordering en er geen verband was met de gevolgen van de terugvordering.
De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1 januari 2007 en wijst het hoger beroep af.