ECLI:NL:CRVB:2011:BP9999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder opgave
Betrokkene ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De gemeente Rotterdam stelde na een melding en onderzoek vast dat betrokkene vanaf 1 februari 2007 tot en met 31 augustus 2007 een gezamenlijke huishouding voerde met [C.B.], de vader van een van haar kinderen, zonder dit te melden. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de intrekking deels gegrond en vernietigde de besluiten, onder meer omdat de verklaring van betrokkene onvoldoende betrouwbaar werd geacht. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de verklaring tegenover de klantmanager en handhavingsmedewerker wel betrouwbaar was, ondanks emotie tijdens het gesprek, en dat er voldoende feitelijke grondslag was voor de gezamenlijke huishouding.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het beroep van het college betrof en verklaarde het beroep tegen het besluit van 26 maart 2008 ongegrond. Tevens werd de proceskostenveroordeling van de rechtbank ten aanzien van dit besluit vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 29 november 2007 werd niet betwist en de gemeente werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene over dat onderdeel.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 26 maart 2008 wordt ongegrond verklaard.