ECLI:NL:CRVB:2012:BY5551
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.H.L.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving vanaf april 2006 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na melding van het verhuren van een bed in haar garage aan [V.] heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) onderzoek gedaan naar hun woonsituatie. Uit het onderzoek en huisbezoek bleek dat [V.] zijn hoofdverblijf had bij appellante en dat sprake was van wederzijdse zorg, wat duidt op een gezamenlijke huishouding.
De Svb trok de nabestaandenuitkering per 1 juni 2009 in wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding en de schending van de inlichtingenverplichting door appellante. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat de verklaring tijdens het huisbezoek onder druk was afgelegd, dat er sprake was van een zakelijke relatie en dat zij de Svb op de hoogte had gesteld van de verhuur.
De Raad oordeelt dat de verklaring rechtsgeldig is en dat de feiten wijzen op een ongebruikelijke verbondenheid en wederzijdse zorg die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden. De huurprijs was niet reëel en de gezamenlijke huishouding is aannemelijk. Appellante heeft haar inlichtingenverplichting niet volledig nagekomen. Het beroep op dringende redenen faalt eveneens. De Raad bevestigt daarom de intrekking van de nabestaandenuitkering.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenverplichting.