Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0341

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/1205 WWB-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:54 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond verklaard wegens niet tijdige betaling griffierecht in hoger beroep WWB

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen inzake een WWB-zaak, maar betaalde het vereiste griffierecht niet binnen de gestelde termijn. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en appellant deed verzet tegen deze beslissing.

De Raad overwoog dat appellant weliswaar de mogelijkheid had gekregen om bijzondere bijstand voor de griffiekosten aan te vragen, maar dit pas na de gestelde termijn deed. Hierdoor liep appellant het risico dat het College niet tijdig op zijn aanvraag kon beslissen, wat voor zijn rekening kwam.

Appellant had ook de Raad tijdig moeten informeren over het uitblijven van een beslissing door het College, wat niet gebeurde. De Raad vond geen reden om het verzuim appellant niet toe te rekenen en verklaarde het verzet ongegrond.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.C.F. Talman en griffier J. de Jong op 29 maart 2011.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

10/1205 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 2 februari 2010, 08/1070 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna College).
Datum uitspraak: 29 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 10 augustus 2010, 10/1205, heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen voornoemde uitspraak heeft appellant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 23 februari 2011, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 10 augustus 2010 berust, kort samengevat, hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 , tweede lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 111,-- niet binnen de laatstelijk bij aangetekend verzonden brief van 20 mei 2010 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Vaststaat dat het griffierecht niet is betaald.
In het verzetschrift heeft appellant aangevoerd dat de Raad ten onrechte heeft aangenomen dat binnen de in de brief van 20 mei 2010 gestelde termijn een besluit zou zijn genomen met betrekking tot de aanvraag om bijzondere bijstand voor de griffiekosten. Hierdoor heeft de Raad volgens appellant in redelijkheid niet tot zijn uitspraak van 10 augustus 2010 kunnen komen.
De Raad is van oordeel dat in hetgeen in het verzetschrift is aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden kunnen worden die tot de conclusie leiden dat appellant het verzuim niet kan worden tegengeworpen. De Raad merkt hierbij op dat uit de gedingstukken blijkt dat appellant bij brief van 8 april 2010 in de gelegenheid is gesteld om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht aan te vragen en dat hij dit eerst op 7 mei 2010 heeft gedaan. Hierdoor heeft appellant het risico genomen dat het College niet binnen de door de Raad gestelde termijn op zijn aanvraag heeft kunnen beslissen, welke gevolgen voor zijn rekening komen. Voorts had het in de door appellant gestelde omstandigheden op zijn weg gelegen om de Raad tijdig te berichten dat er door het College nog geen beslissing op zijn aanvraag genomen was, hetgeen hij niet heeft gedaan.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2011.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) J. de Jong.
HD