Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0342

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/1770 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij arbeidsverplichtingen WWB

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en kreeg arbeidsverplichtingen opgelegd voor 12 uur per week na medisch en arbeidskundig onderzoek. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam verklaarde haar bezwaar tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank bevestigde dit in een uitspraak van februari 2009.

Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de procedure bleek dat de bijstand inmiddels was beëindigd en dat er geen verlaging van de uitkering had plaatsgevonden vanwege het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen. Hierdoor ontbrak het persoonlijke belang van appellante bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

De Raad oordeelde dat het aannemelijk was dat appellante geen schade had geleden door het besluit en dat ook andere gronden voor procesbelang ontbraken. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Tevens vond de Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

09/1770 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2009, 08/2229 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 29 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.M. Bouman, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 8 maart 2011. Partijen zijn - beiden met voorafgaand bericht - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving tot 16 maart 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op verzoek van het College is appellante in 2006 en 2007 onderzocht door een arts en een psycholoog, verbonden aan AOB Compaz, en heeft een arbeidsdeskundige, eveneens verbonden aan AOB Compaz, een onderzoek gedaan naar de bij appellante bestaande re-integratiemogelijkheden. Op basis van de door de arts, de psycholoog en de arbeidsdeskundige uitgebrachte adviezen, heeft het College bij besluit van 17 oktober 2007 aan appellante medegedeeld, voor zover hier van belang, dat de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB neergelegde arbeidsverplichtingen voor haar gelden voor 12 uur per week.
1.2. Naar aanleiding van het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is appellante op verzoek van het College opnieuw onderzocht door een arts van AOB Compaz. Onder verwijzing naar het door die arts uitgebrachte advies en naar de onder 1.1 genoemde adviezen, heeft het College bij besluit van 22 april 2008 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 oktober 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 22 april 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt vast dat de bijstand van appellante met ingang van 16 maart 2009 is beëindigd. Bij brief van 11 februari 2011 heeft het College de Raad medegedeeld dat de bijstand van appellante in de periode van 17 oktober 2007 (datum primair besluit) tot 16 maart 2009 niet is verlaagd wegens het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen en dat een verlaging met betrekking tot het verleden ook niet wordt overwogen. Een en ander brengt naar het oordeel van de Raad mee dat appellante geen tot haar persoon te herleiden belang meer heeft bij een beoordeling ten gronde van het besluit van 22 april 2008. In aanmerking genomen dat op voorhand onaannemelijk is dat appellante als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming schade heeft geleden is ook anderszins geen procesbelang aanwezig. Anders dan appellante ziet de Raad in de omstandigheid dat appellante in beroep - ter zitting - informatie van haar psychiater/psycholoog had ingebracht, die de rechtbank volgens appellante ten onrechte wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft gelaten, geen grond om wel een procesbelang aanwezig te achten.
4.2. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2011.
(get.) W.F. Claessens.
(get.) I. Mos.
HD