AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering ziekengeld na zorgvuldige medische beoordeling
Appellante, voormalig groepsleerkracht, meldde zich ziek wegens rug- en psychische klachten en kreeg een WIA-uitkering geweigerd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd vastgesteld. Na een operatie in 2008 werd zij opnieuw beoordeeld en geschikt bevonden voor functies zoals geduid in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
Het UWV beëindigde haar Ziektewetuitkering per 18 juli 2008, wat appellante betwistte. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts concludeerden na zorgvuldige medische onderzoeken dat haar beperkingen niet waren toegenomen en dat zij geschikt was voor ten minste één van de geduide functies.
De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid wordt verstaan, tenzij de verzekerde blijvend ongeschikt is, waarna gangbare arbeid als maatstaf geldt. De medische informatie van de behandelend orthopedisch specialist bevestigde het herstel en gaf geen aanleiding tot een ander oordeel. De Raad zag geen reden om het bestreden besluit te vernietigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld en handhaaft het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering per 18 juli 2008.
Uitspraak
09/5085 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 juli 2009, 08/2076
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2011, waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als groepsleerkracht in het basisonderwijs, heeft zich op 29 juni 2005 ziek gemeld wegens rugklachten. Daarnaast was tevens sprake van psychische klachten. Bij het einde van de wachttijd, op de datum 27 juni 2007, is haar een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35%. Hierbij is overwogen dat appellante met inachtneming van de voor haar vastgestelde beperkingen, die zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 maart 2007, geschikt werd geacht voor de geduide functies.
1.2. Op 8 mei 2008 heeft appellante, vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge Werkloosheidswet ontving, zich opnieuw ziek gemeld vanwege een geplande operatie. Na haar operatie is appellante op 11 juli 2008 gezien door de verzekeringsarts A.J.M. Vellinga, die haar geschikt achtte voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 11 juli 2008 appellante meegedeeld dat zij vanaf 18 juli 2008 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).
1.3. Bij besluit van 19 augustus 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 juli 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts G.W. Egberts van 15 augustus 2008, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat zij geen reden ziet om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden en dat zij evenmin aanleiding ziet voor de conclusie dat sprake is van een onzorgvuldig medisch onderzoek. De rechtbank was met het Uwv van oordeel dat appellante met ingang van 18 juli 2008 belastbaar moet worden geacht conform de eerder ten behoeve van de WIA-beoordeling opgestelde FML. Als gevolg hiervan moet appellante in staat worden geacht tot het verrichten van (tenminste één van) de haar in het kader van die beoordeling geduide functies, zodat het recht op ZW-uitkering met ingang van 18 juli 2008 terecht is beëindigd.
3. In hoger beroep heeft appellante gesteld, evenals eerder in de procedure, dat het Uwv haar belastbaarheid heeft overschat.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld.
4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder ”zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft vervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van de functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.
4.3. Op 11 juli 2008 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts Vellinga die tot de conclusie is gekomen dat appellante dusdanig van haar op 13 mei 2008 plaatsgevonden operatie is hersteld dat haar actuele medische toestand in termen van belastbaarheid ten aanzien van arbeid niet wezenlijk anders is dan die zoals die in de FML van 28 maart 2007 is vastgesteld. Daarbij heeft hij overwogen dat in deze FML als gevolg van de rug- en psychische klachten aanzienlijke beperkingen zijn opgenomen. De bezwaarverzekeringsarts, die appellante eveneens heeft gezien, heeft in zijn rapport van 15 augustus 2008 de bevindingen van de verzekeringsarts onderschreven. Ook hij is niet tot de conclusie kunnen komen dat appellante op de datum hier in geding als gevolg van haar rug- en psychische klachten meer beperkingen heeft dan vastgesteld in de FML van 28 maart 2007, waarbij hij in overweging heeft genomen dat er bij appellante geen sprake is van radiculaire problematiek en evenmin sprake van een depressie in engere zin. Met betrekking tot de door appellante gebruikte oordruppels heeft hij vastgesteld dat daar op de datum in geding nog geen sprake van was, zodat het gebruik hiervan niet van invloed kan zijn op de onderhavige beoordeling.
4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Voorts acht de Raad het door deze verzekeringsartsen ingenomen standpunt dat de belastbaarheid van appellante op 18 juli 2008 dezelfde is als op 28 maart 2007 in voldoende mate onderbouwd. De daaraan verbonden conclusie dat appellante met ingang van 18 juli 2008 geschikt moet worden geacht voor één van de functies zoals die zijn geselecteerd bij de eerdere Wet WIA-beoordeling kan de Raad dan ook niet voor onjuist houden.
4.5. De in beroep ingebrachte medische informatie van drs. P. Wigt, de behandelend specialist orthopedie die appellante op 13 mei 2008 heeft geopereerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. In deze informatie wordt het door verzekeringsarts ingenomen standpunt dat appellante goed hersteld is van haar operatie, bevestigd. Voorts blijkt uit deze informatie niet, anders dan appellante heeft gesteld, dat deze arts van mening is dat appellante op de datum in geding in het geheel (nog) geen werkzaamheden mag verrichten. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv desgevraagd meegedeeld dat met betrekking tot deze informatie nog overleg heeft plaatsgevonden met de bezwaarverzekeringsarts en dat deze te kennen heeft gegeven dat deze voor hem geen aanleiding is geweest een ander standpunt in te nemen.
4.6. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad evenmin tot het oordeel kunnen brengen dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2011.