ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV en toekenning proceskosten in sociaal zekerheidszaak
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV uit 2008 dat door de rechtbank Zwolle-Lelystad in stand werd gehouden. Het UWV heeft vervolgens op het bezwaar opnieuw beslist en het bezwaar alsnog gegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat de rechtbank ten onrechte het besluit in stand heeft gelaten.
De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van appellant gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met bezwaar, beroep en hoger beroep.
De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op in totaal € 1.635,60, bestaande uit kosten voor behandeling bezwaar, rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, en reiskosten voor hoorzittingen. Een verzoek om een hogere wegingsfactor wordt afgewezen omdat de zaak geen bijzondere juridische of feitelijke complexiteit vertoonde.
Tot slot wordt het UWV verplicht het door appellant betaalde griffierecht van € 149,- te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter B.M. van Dun en griffier M.A. van Amerongen op 6 april 2011.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.