ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0820
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens schending hoorplicht
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 29 april 2008 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Het UWV wijzigde dit besluit later en trok de uitkering in per 15 januari 2009. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij voldoende gelegenheid had gehad om te reageren en dat de medische en arbeidskundige gronden niet slaagden.
In hoger beroep stelde appellante dat zij niet in de gelegenheid was gesteld om mondeling te reageren voordat op haar bezwaar werd beslist, wat een schending van artikel 7:9 van Pro de Awb zou zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante inderdaad ten onrechte geen nadere hoorzitting kreeg, waardoor het besluit vernietigd moest worden. De Raad bevestigde echter dat de medische en arbeidskundige gronden door de rechtbank afdoende waren besproken en dat het UWV de beoordeling volgens het juiste Schattingsbesluit had uitgevoerd.
De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.