ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- H.J. Simon
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig schilder, viel op 22 juni 1993 uit wegens psychische klachten en beëindigde zijn dienstverband op 1 augustus 1993. Na beëindiging van een Ziektewetuitkering per 27 september 1993, diende appellant bijna 15 jaar later een aanvraag in voor een WAO-uitkering met als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 13 september 1993.
Verzekeringsarts Fouad stelde deze datum vast, maar staf-verzekeringsarts Van Eekelen concludeerde dat deze datum niet aannemelijk was en adviseerde een nieuw onderzoek. Bezwaarverzekeringsarts Koek vond geen medische stukken die langdurige arbeidsongeschiktheid vanaf 1993 onderbouwden. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit deels, maar de Centrale Raad bevestigde de weigering.
De Raad benadrukte dat het nadeel van late aanvraag voor arbeidsongeschiktheidsuitkering voor rekening van appellant komt. De medische stukken uit 2003 en 2004 bevatten geen relevante informatie over 1993. Ook de verklaring van de huisarts over overspanning in 1993 volstaat niet om langdurige arbeidsongeschiktheid aan te tonen.
De Raad oordeelde dat het Uwv terecht geen doorslaggevende betekenis gaf aan het rapport van verzekeringsarts Fouad en bevestigde het bestreden besluit. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende bewijs van langdurige arbeidsongeschiktheid vanaf 13 september 1993.