AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling na beëindiging arbeidsovereenkomst
Appellant was vanaf februari 2006 werkzaam als nachtwaker en meldde zich ziek per 5 oktober 2007. Na klachten van de werkgever over functioneren en een ontslag op staande voet wegens vermeende seksuele intimidatie, werd de arbeidsovereenkomst uiteindelijk met wederzijds goedvinden beëindigd per 1 december 2007. Appellant vroeg ziekengeld aan, maar het UWV weigerde dit op grond van een benadelingshandeling, omdat appellant tijdens ziekte het dienstverband had beëindigd.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant gegrond en vernietigde het besluit van het UWV dat de uitkering weigerde. De rechtbank oordeelde echter dat de sanctie die het UWV oplegde te zwaar was en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit te nemen dat de uitkering weigerde voor de duur van de aanspraak op loon.
Het UWV legde daarop een maatregel op die de uitkering weigerde tot de maximale duur van de Ziektewetuitkering, 1 oktober 2009. Appellant ging hiertegen in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had en verwierp het verweer dat er geen benadelingshandeling was. Ook was geen dringende reden aanwezig om van de maatregel af te zien.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling tot de maximale duur van de uitkering.
Uitspraak
09/5356 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 augustus 2009, 09/353 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2011. Appellant is verschenen met bijstand van mr. M.N. van Geenen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, die vanaf 11 februari 2006 als nachtwaker/portier werkzaam was bij [naam werkgever], is per 5 oktober 2007 bij het Uwv ziek gemeld. Na deze ziekmelding heeft de werkgever appellant in verschillende brieven aangesproken op zijn functioneren, met name op het volgens de werkgever niet-nakomen van afspraken door appellant (onder andere te laat komen, patroon betermelden-ziekmelden en tijdens ziekte zonder toestemming naar Marokko vertrekken). Nadat appellant bij brief van 30 oktober 2007 was aangezegd dat onderzoek zou worden gedaan naar beschuldigingen van een collega van seksuele intimidatie door appellant, heeft de werkgever appellant bij brief van 2 november 2007 op staande voet ontslagen. Namens appellant is de nietigheid van dit ontslag ingeroepen. Onder intrekking van het ontslag op staande voet, hebben appellant en de werkgever, door het sluiten van een overeenkomst daartoe eind november 2007, de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd per 1 december 2007. Tot 1 december 2007 heeft de werkgever appellant loon doorbetaald.
1.2. Naar aanleiding van een door appellant op 24 december 2007 ingediende aanvraag voor ziekengeld, is bij besluit van 2 januari 2008 ziekengeld blijvend en geheel geweigerd vanaf 5 oktober (lees:) 2007 wegens het plegen van een benadelingshandeling, daarin bestaande dat appellant tijdens ziekte ontslag heeft genomen. Bij besluit van 31 maart 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 januari 2008 ongegrond verklaard. Het Uwv is er in het besluit van 31 maart 2008 niet langer vanuit gegaan dat appellant ontslag heeft genomen, maar heeft het bestreden besluit hierop gebaseerd dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Het Uwv heeft zich verder op het standpunt gesteld, dat appellant door het instemmen met beëindiging van het dienstverband per 1 december 2007 het recht op loon heeft prijsgegeven terwijl op dat moment het arbeidsongeschiktheidsrisico al was ingetreden. Daarmee heeft appellant volgens het Uwv een benadelingshandeling gepleegd als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de Ziektewet (ZW). Het Uwv heeft vervolgens het ziekengeld met ingang van 1 december 2007 blijvend geheel geweigerd Volgens het Uwv is er geen sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid, noch is appellant verminderd verwijtbaar. Evenmin heeft het Uwv een dringende reden aanwezig geacht om van het opleggen van een maatregel af te zien.
1.3. Bij uitspraak van 7 november 2008 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 31 maart 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant verworpen inhoudend dat er geen sprake is van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Voorts is de rechtbank appellant niet gevolgd in het standpunt dat verwijtbaarheid aan zijn zijde ontbreekt. Evenmin achtte de rechtbank verminderde verwijtbaarheid aan de kant van appellant aan de orde. Ook achtte zij voor het Uwv geen grond aanwezig voor een dringende reden om van het opleggen van een maatregel af te zien.
1.4. De zwaarte van de sanctie kon de toetsing van de rechtbank echter niet doorstaan. Die sanctie, een maatregel van de vijfde categorie, ten eerste, van de ZW, behoort volgens artikel 7, eerste lid, onder a, van het Maatregelenbesluit UWV te worden opgelegd indien de verzekerde de verplichting heeft geschonden zijn arbeidsongeschiktheid niet opzettelijk te veroorzaken. De rechtbank, ervan uitgaande dat appellant een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had, constateerde dat hetgeen appellant wordt verweten, ingevolge de Bijlage als bedoeld in artikel 2 vanPro het Maatregelenbesluit UWV, een verplichting betreft van de vijfde categorie, ten tweede. Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder b, van het Maatregelenbesluit UWV bedraagt de hoogte en de duur van de maatregel bij het niet of niet behoorlijk nakomen, de gehele uitkering voor de duur dat de verzekerde aanspraak op loon zou hebben doen gelden, dan wel de dienstbetrekking zou hebben kunnen voortduren.
1.5. Partijen hebben berust in de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2008.
1.6. Ingevolge de opdracht van de rechtbank heeft het Uwv een besluit, gedateerd 30 januari 2009, genomen. Daarbij is de ZW-uitkering geweigerd met ingang van 1 december 2007, voor de duur van appellants aanspraak op loon, dan wel voor de periode dat de dienstbetrekking zou hebben kunnen voortduren. Aangezien appellant ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, 1 december 2007, werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, dient volgens het Uwv de ZW-uitkering te worden geweigerd tot en met 1 oktober 2009, zijnde de datum waarop appellants ZW-uitkering de maximale duur zou hebben bereikt.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 30 januari 2009 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak verwezen naar de beroepsgronden die hij heeft aangevoerd in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2008. Het Uwv heeft aangevoerd dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad verwerpt de ter zitting door appellant, bij wijze van gewijzigd standpunt, opgeworpen stelling dat appellant een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan, reeds omdat de laatstelijk op 24 april 2007 door appellant en werkgever ondertekende arbeidsovereenkomst niet een periode omschrijft waarvoor zij is aangegaan en zij ook geen datum bevat waarop zij afloopt. De Raad zal er dus met de rechtbank vanuit gaan dat appellant een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had met de werkgever.
4.2. De rechtbank heeft appellants stellingen inhoudend dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden, vervat in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen in haar uitspraak van 7 november 2008. De rechtbank heeft, nu tegen die uitspraak niet in hoger beroep is gekomen, hetgeen zij daarover daarin heeft overwogen en beslist dan ook terecht als vaststaande aangenomen in de aangevallen uitspraak. In de onderhavige zaak staat dus uitsluitend ter beoordeling de vraag of de door het Uwv aan appellant opgelegde maatregel de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
4.3. Het Uwv heeft zich thans op het standpunt gesteld dat, in het geval sprake is van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45 eerstePro lid, aanhef en onder j, van de ZW, er een maatregel dient te worden opgelegd op basis van de vijfde categorie, ten tweede. Het Uwv heeft de uitkering geweigerd, tot en met 1 oktober 2009, zijnde de datum waarop appellants ZW-uitkering de maximale duur zou hebben bereikt.
4.4. Appellant heeft de weigering hem tot en met die datum een ZW-uitkering te verlenen bestreden met de stelling dat, indien appellant zijn ontslag op staande voet zou hebben aangevochten, de kantonrechter met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de arbeidsovereenkomst zou hebben ontbonden wegens een ernstig verstoorde arbeidsrelatie. In dat geval had appellant in ieder geval recht gehad op een uitkering ingevolge de ZW, dan wel op een werkloosheidsuitkering. De rechtbank is terecht aan die stelling voorbij gegaan op de grond dat, nu appellant op voorhand heeft ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, het Uwv aan een beoordeling van een benadelingshandeling wegens ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet toe is gekomen.
4.5. Voorts heeft de rechtbank terecht geconstateerd dat de opgelegde maatregel in overeenstemming is met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit UWV. Van een dringende reden, als bedoeld in artikel 45, vierde lid, van de ZW op grond waarvan het Uwv had dienen af te zien van het opleggen van de maatregel is, zoals de rechtbank eveneens terecht heeft vastgesteld, niet gebleken.
4.6. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011.