ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1212

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6596 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.4 TAUArt. 8 EVRMArt. 14 EVRMArt. 8.1 TAU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling weigering aanvullende kindertoelage bij detachering in het buitenland

Appellant, werkzaam bij de politie en gedetacheerd naar het Recherche Samenwerkingsteam Nederland, Nederlandse Antillen en Aruba, verzocht om een aanvullende kindertoelage voor zijn kinderen die bij zijn ex-echtgenote in Nederland verbleven. De minister weigerde deze toelage omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van de tijdelijke afspraken Uitzendvoorwaarden KLPD RST (TAU), met name het vereiste dat de kinderen bij de belanghebbende verblijven of dat er sprake is van een dubbele huishouding.

De rechtbank vernietigde aanvankelijk het besluit wegens een motiveringsgebrek, waarna de minister alsnog vergoeding van vliegtickets toestond maar de aanvullende kindertoelage bleef weigeren. In hoger beroep bevestigde de Raad dat het achterblijven van de kinderen bij de ex-echtgenote niet betekent dat appellant twee huishoudingen voert, waardoor de aanvullende toelage terecht is geweigerd.

Appellant voerde aan dat het begrip gezin onjuist werd uitgelegd en dat de weigering in strijd was met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, maar de Raad oordeelde dat deze argumenten niet relevant zijn omdat de weigering niet gebaseerd is op het ontkennen van het gezinsverband. Ook de hardheidsclausule werd niet van toepassing geacht.

De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de aangevallen uitspraak, waarbij geen proceskostenveroordeling werd opgelegd.

Uitkomst: De aanvullende kindertoelage werd terecht geweigerd omdat appellant geen dubbele huishouding voert ondanks detachering in het buitenland.

Uitspraak

09/6596 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 oktober 2009, 08/4265 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, thans de Minister van Veiligheid van Justitie (hierna: minister)
Datum uitspraak: 7 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2011. Appellant is vertegenwoordigd door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De minister is vertegenwoordigd door mr. R.H.A. Nathans, werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten (Klpd).
II. OVERWEGINGEN
1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval mede verstaan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
1.1. Appellant was werkzaam bij de politieregio [regio]. Met ingang van 2 augustus 2004 is hij voor een periode van drie jaar gedetacheerd bij het Klpd en uitgezonden naar het Recherche Samenwerkingsteam Nederland, Nederlandse Antillen en Aruba (RST), met als standplaats [standplaats].
1.2. Bij besluit van 14 augustus 2006 is afwijzend beslist op verzoeken van appellant om vergoeding van de kosten van vliegtickets voor zijn in Nederland bij zijn ex-echtgenote woonachtige kinderen en om een aanvullende kindertoelage. Nadat de handhaving van deze weigering door de rechtbank bij uitspraak van 27 maart 2008 (07/6106) was vernietigd wegens een motiveringsgebrek, heeft de minister appellant alsnog in aanmerking gebracht voor vergoeding van vliegtickets voor zijn kinderen. Bij besluit van 8 januari 2009 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren tegen de geweigerde aanvullende kindertoelage wederom ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover van belang - het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. In geding is slechts of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.
3.2. De minister heeft het verzoek om de aanvullende kindertoelage getoetst aan de tijdelijke afspraken Uitzendvoorwaarden KLPD RST (hierna: TAU).
3.3. Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, van de TAU bestaat aanspraak op een aanvullende kindertoelage voor elk tot het gezin behorend minderjarig kind, dat met de belanghebbende in de (voormalige) Nederlandse Antillen of [standplaats] verblijft. Vaststaat dat in het geval van appellant niet aan deze voorwaarde werd voldaan, reeds omdat zijn kinderen bij zijn ex-echtgenote in Nederland verbleven en niet bij hem.
3.4. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bevoegd gezag de belanghebbende de aanvullende kindertoeslag ook toekennen voor het tot zijn gezin behorend minderjarig kind dat niet bij hem verblijft, indien aan het bevoegd gezag genoegzaam is gebleken dat zodanig verblijf redelijkerwijs niet, nog niet of niet meer mogelijk is. Als vaste gedragslijn hanteert de minister dat een toelage op grond van artikel 3.4, tweede lid, van de TAU slechts kan worden toegekend, indien de kinderen van een belanghebbende noodzakelijkerwijs in Nederland verblijven en er voor de belanghebbende daardoor sprake is van een dubbele huishouding en daarmee gepaard gaande extra kosten.
3.5. De vaststelling door de minister dat aan die voorwaarden niet is voldaan wordt door de Raad, net als door de rechtbank, onderschreven. In geen enkel opzicht is gebleken dat een verblijf van de kinderen van appellant bij hem niet mogelijk was. De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat het achterblijven van de kinderen van appellant niet betekende dat door hem twee huishoudingen moesten worden gevoerd. Reeds op die grond kon de aanvullende toelage worden geweigerd.
3.6. Voor zover appellant in hoger beroep heeft gesteld dat daarmee een onjuiste uitleg is gegeven aan het begrip gezin in de van toepassing zijnde bepalingen en een beroep heeft gedaan op strijdigheid met rechtstreeks werkende verdragsbepalingen zoals de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is de Raad van oordeel dat hier sprake is van een misverstand. De afwijzing berust immers niet op het standpunt dat de kinderen niet behoren tot het gezin van appellant. Ook de argumenten die zien op het feit dat appellant naar eigen zeggen co-ouder is en is blijven bijdragen aan de kosten van levensonderhoud doen niet ter zake.
3.7. De Raad is voorts van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat om toepassing te geven aan de in artikel 8.1 van de TAU neergelegde hardheidsclausule.
4. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2011.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) I. Mos.
RB