ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1600

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2106 WWB- V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in WWB-zaken ongegrond verklaard

Appellante heeft verzet aangetekend tegen de uitspraak van de Raad van 19 oktober 2010, waarin haar hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig voldoen van het griffierecht. De Raad overwoog dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn van vier weken was betaald en dat appellante niet in verzuimvrijstelling kon worden gesteld.

Appellante stelde dat haar uitkering was opgeschort en ingetrokken, waardoor zij het griffierecht niet kon betalen. Tevens had zij de gemeente verzocht het griffierecht voor haar te voldoen, waarbij zij ervan uitging dat de gemeente dit rechtstreeks aan de Raad zou overmaken. De Raad oordeelde dat dit geen grond was om het verzuim niet aan appellante toe te rekenen, mede omdat zij niet tijdig om uitstel had verzocht en het beroep op financieel onvermogen pas in verzet werd gedaan.

Verder had appellante zich wel tijdig tot de gemeente gewend, maar zij mocht er niet zonder meer van uitgaan dat de gemeente het griffierecht zou betalen. Het was haar eigen verantwoordelijkheid om dit tijdig te verifiëren. Gezien deze omstandigheden werd het verzet ongegrond verklaard. De Raad zag geen aanleiding om appellante te veroordelen in de proceskosten van het verzet.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

10/2106 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 maart 2010, 08/7932 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag
Datum uitspraak: 11 april 2011 I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van
19 oktober 2010 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 19 oktober 2010 heeft appellante verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 februari 2011, waar partijen - appellante met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 19 oktober 2010 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 20 mei 2010 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In het verzetschrift heeft appellante verklaard dat zij niet in staat is geweest het griffierecht te voldoen aangezien haar uitkering door de gemeente is opgeschort (en later ingetrokken). Ook heeft zij verklaard dat zij de gemeente heeft verzocht het griffierecht voor haar te voldoen en er daarbij van is uitgegaan dat de gemeente het griffierecht rechtstreeks aan de Raad zou overmaken.
De Raad vindt hierin geen grond voor het oordeel dat het verzuim niet aan appellante kan worden tegengeworpen. Pas in verzet, en dus niet binnen de termijn waarbinnen het griffierecht moest worden voldaan, heeft appellante bij de Raad een beroep op financieel onvermogen gedaan. Evenmin heeft zij binnen die termijn de Raad om uitstel van betaling verzocht. Appellante heeft zich wel tijdig tot de gemeente gewend. Zij mocht er daarbij niet zonder meer van uitgaan dat de gemeente voor haar het griffierecht zou betalen. Het lag op de weg van appellante om - tijdig - bij de gemeente te informeren of het griffierecht inderdaad voor haar zou worden voldaan. Dat heeft zij echter niet gedaan.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2010.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
IvR