ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW- en nabestaandenpensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten voerden hoger beroep tegen besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin hun AOW-ongehuwdenpensioen werd herzien naar een gehuwdenpensioen en de nabestaandenuitkering van appellante werd ingetrokken. De Svb baseerde deze besluiten op een onderzoek dat aannam dat zij vanaf medio juli 2002 een gezamenlijke huishouding voerden.
De Raad oordeelde dat het beroep op het Salduz-arrest faalt omdat het hier geen strafrechtelijke procedure betreft. De verklaringen die appellanten op 5 juni 2008 aan de sociale rechercheur van de Svb hebben afgelegd, zijn volgens de Raad betrouwbaar en mogen worden gebruikt. De Raad stelde vast dat het aanhouden van afzonderlijke adressen niet uitsluit dat sprake is van een gezamenlijke huishouding als feitelijk samenwonen aannemelijk is.
Op basis van de verklaringen van appellanten achtte de Raad het aannemelijk dat zij een gezamenlijke huishouding voerden met wederzijdse zorg en gedeelde huishoudkosten. De herzieningen en intrekking van de uitkeringen door de Svb waren daarmee terecht. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en wees de beroepen van appellanten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het AOW- en nabestaandenpensioen wegens gezamenlijke huishouding en wijst het hoger beroep af.