ECLI:NL:CRVB:2020:3496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering WAO-uitkering wegens inkomsten uit hennepkwekerij
Appellante ontvangt sinds 2003 een WAO-uitkering en werd in 2014 geconfronteerd met een politie-inval waarbij een hennepkwekerij in haar woning werd ontdekt. Het UWV stelde vast dat zij inkomsten had uit de kwekerij en herzag haar arbeidsongeschiktheidsklasse, wat leidde tot terugvordering van onverschuldigde uitkeringen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond, waarbij werd aangenomen dat appellante mede-exploitant was van de kwekerij en dat de inkomsten aan haar toekwamen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar rol beperkt was en dat er minder oogsten waren dan vastgesteld.
De Raad oordeelt dat het UWV een eigen beoordeling moet maken en niet gebonden is aan de strafrechtelijke feitenvaststelling. Uit verklaringen bij de politie en het BOOM-rapport volgt dat er tien oogsten waren en dat de verdiensten € 45.263,30 bedroegen. Appellante heeft geen objectieve gegevens aangeleverd om dit te weerleggen.
De Raad bevestigt dat een gelijke verdeling van de opbrengst tussen appellante en haar echtgenoot redelijk is gezien hun samenwerking. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkering bevestigd.