T U S S E N U I T S P R A A K
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 april 2009, 08/1239 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 april 2011
Namens appellant heeft mr. M.G. Pleiter, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend
Op verzoek van de Raad heeft de psychiater H.E. Becker als deskundige onderzoek verricht, waarvan bij rapport van 14 juni 2010 verslag is gedaan.
In reactie op dit rapport heeft het Uwv een rapportage van bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy van 23 juni 2010 ingezonden en is namens appellant bij brief van 19 juli 2010 gereageerd. Hierop is door de deskundige bij brief van 20 september 2010 gereageerd. Bij brief van 4 november 2010 heeft de deskundige nog een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.M. Slierendrecht, kantoorgenote van mr. Pleiter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
1.1. Aan appellant, die is geboren op [datum] 1982, is met ingang van 7 juni 2006 een uitkering toegekend op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Appellant is in het kader van een beoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, die tevens is aangemerkt als een eerstejaars herbeoordeling in het kader van de Wajong, op 2 april 2007 onderzocht door de verzekeringsarts M.E. Wassenaar. Op basis van de resultaten van dat onderzoek heeft de verzekeringsarts appellant in staat geacht tot het verrichten van arbeid, met inachtneming van de beperkingen, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 april 2007. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige G.J.J.M. Verhaagh een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellant en waarmee het verlies aan verdiencapaciteit in het kader van de Wajong is berekend op minder dan 25%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 4 juni 2007 aan appellant meegedeeld dat zijn Wajong-uitkering per 26 juni 2007 wordt ingetrokken.
1.3. Bij besluit van 14 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, onder verwijzing naar de rapportages van bezwaarverzekeringsarts Hovy van 13 februari 2008 en van bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk van 18 februari 2008, gegrond verklaard. Daarbij is besloten om de Wajong-uitkering van appellant per 26 juni 2007 te herzien en te baseren op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij onvoldoende aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat het Uwv de aard, ernst en omvang van de beperkingen van appellant heeft onderschat en dat zij van oordeel is dat het bestreden besluit kan worden gedragen door de rapporten van de verzekeringsarts van 2 april 2007 en van de bezwaarverzekeringsarts van 13 februari 2008. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige toereikend heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant en zij heeft dan ook geen aanleiding gezien om te oordelen dat, uitgaande van de juistheid van de door het Uwv bij appellant aangenomen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid, appellant de werkzaamheden behorende bij de hem voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. Gelet daarop heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat appellant geen relevant verlies aan verdiencapaciteit heeft.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn klachten niet zijn verminderd sinds aan hem een Wajong-uitkering is toegekend en dat de bij hem gestelde diagnose PTSS tot verdere beperkingen had dienen te leiden. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat door het Uwv niet voldoende is gemotiveerd dat de verzekeringsarts in 2006 niet conform de instructie de beperkingen zou hebben vastgesteld. Met betrekking tot de geduide functies heeft hij aangegeven dat deze zijn belastbaarheid overschrijden, als het gaat om samenwerken met collega’s en werken in een geluidvolle omgeving.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. Naar aanleiding van de door appellant aangevoerde gronden en de voorhanden medische gegevens heeft de Raad aan psychiater Becker verzocht als deskundige van advies te dienen. In ’s Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat hij het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel geïndiceerd is. De Raad is van oordeel dat in het thans voorliggende geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de conclusies van de door hem ingeschakelde deskundige op een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek berusten en overtuigend, aan de hand van een relevant medisch onderzoek en kennisneming van de omtrent appellant beschikbare medische informatie, zijn gemotiveerd.
4.2. De Raad kent dan ook doorslaggevende betekenis toe aan het bij rapport van 14 juni 2010 gegeven oordeel van de door hem geraadpleegde deskundige. In deze rapportage is aangegeven dat de deskundige zich niet kan verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant, omdat hij ten tijde van de in geding zijnde datum geïndiceerd is voor psychiatrische deeltijdbehandeling voor de paniekstoornis met agorafobie. Volgens de deskundige spelen de beschreven beperkingen ten aanzien van concentratie, aandacht, geheugen en stressbelastbaarheid ook op de datum in geding en moet de belastbaarheid op deze onderdelen worden aangepast. Gelet op de aangenomen beperkte psychische belastbaarheid acht de deskundige niet alle functies op de datum in geding geschikt voor appellant. Naar aanleiding van de reactie van bezwaarverzekeringsarts Hovy van 23 juni 2010 heeft de deskundige in zijn brief van 20 september 2010 aangegeven dat de verzekeringsgeneeskundige inzichten op het vlak van de belastbaarheid geen expertise van psychiaters is en dat hij kan instemmen met de uitleg van de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de aangenomen beperkingen op stressbelastbaarheid. Waar appellant op overige gronden van belastbaarheid is beoordeeld volgens verzekeringsgeneeskundige inzichten en hoe deze is verwoord en in de FML-systematiek verwerkt, ziet de deskundige dit niet als zijn expertise. Naar het oordeel van de Raad heeft de deskundige zijn conclusies zorgvuldig heroverwogen, maar daarbij niet aangegeven dat hij zijn standpunt dat de eerder door hem beschreven beperkingen met betrekking tot concentratie geheugen en aandacht niet handhaaft. Ook in het op verzoek van bezwaarverzekeringsarts Hovy opgestelde expertiserapport van de klinisch psycholoog/neuropsycholoog drs. M.S.P. Vermeulen van 7 januari 2008 ziet de Raad een bevestiging van het standpunt dat appellant ten tijde in geding cognitieve beperkingen had met betrekking tot concentratie, aandacht en geheugen. In het kader van de Wajong-beoordeling per einde wachttijd heeft verzekeringsarts J.L.E. Tjon-A-Sam op basis van haar rapportages van 10 augustus 2006 en 13 oktober 2006 in de FML van 16 oktober 2006 eveneens beperkingen op deze aspecten aangenomen. Gelet op het consistent geheel van deze gegevens en op het feit dat ter zitting het Uwv ook niet heeft bestreden dat appellant cognitieve beperkingen heeft, zijn naar het oordeel van de Raad op de aspecten 1.1, 1.2 en 1.3 in de FML ten onrechte geen beperkingen aangenomen. Dat betekent dat het bestreden besluit op een ontoereikende medische grondslag berust.
4.3. Gelet op het hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het hiervoor gesignaleerde gebrek in het besluit van 14 maart 2008 te herstellen.
De Centrale Raad van Beroep,
Draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 14 maart 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011.
(get.) M.A. van Amerongen.