ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens ontbreken internering onder permanente bewaking tijdens Japanse bezetting
Appellant, geboren in 1942 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad waarin zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) werd afgewezen. De kern van het geschil betreft de vraag of appellant tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd is geweest in een verblijfplaats met permanente bewaking, een vereiste voor het toekennen van een Wuv-uitkering.
Uit het dossier en de door appellant overgelegde brief van zijn vader uit 1948 blijkt dat appellant niet in een dergelijk kamp heeft verbleven tijdens de Japanse bezetting. Wel is vastgesteld dat appellant gedurende de Bersiap-periode geïnterneerd is geweest in kampen zoals Klampok en Minangkabau, maar deze perioden vallen buiten de definitie van vervolging in de zin van de Wuv.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit is gebaseerd op een zorgvuldig onderzoek en dat er geen nieuwe feiten zijn die het standpunt van verweerder ondermijnen. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van internering onder permanente bewaking tijdens de Japanse bezetting.