ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2519
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek WUBO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante, geboren in 1944, diende meerdere aanvragen in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvragen werden afgewezen omdat medische adviezen geen verband zagen tussen haar psychische en lichamelijke klachten en de oorlogservaringen, maar deze toeschreven aan andere oorzaken zoals het gedrag van haar moeder en traumatische ervaringen uit 1958.
In 2009 verzocht appellante opnieuw om toekenning van de uitkering, maar dit verzoek werd op 12 november 2009 afgewezen en gehandhaafd bij besluit van 25 februari 2010. Appellante stelde dat haar klachten wel verband hielden met de internering tijdens de Japanse bezetting, maar kon geen nieuwe medische gegevens aanvoeren die dit standpunt ondersteunden.
De Raad beoordeelde het verzoek als een herzieningsverzoek en toetste terughoudend. De door appellante aangevoerde bedenkingen tegen het medische rapport uit 1996 werden niet als nieuwe feiten gezien. Omdat zij destijds geen bezwaar had gemaakt tegen het eerdere besluit, kon het verzoek niet leiden tot herziening.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. Het bestreden besluit kon de terughoudende toets doorstaan, waarmee de eerdere afwijzingen stand hielden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de herhaalde WUBO-aanvraag wordt ongegrond verklaard.