ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum herziening WAO-uitkering per 10 mei 2007 na ziekmelding 12 april 2007
Appellante, werkzaam als postsorteerder en bejaardenverzorgende, meldde zich in 2001 ziek en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45%. Na meerdere herzieningen werd haar WAO-uitkering in 2005 vastgesteld op 55-65%. Op 24 april 2007 meldde zij zich opnieuw arbeidsongeschikt met ingang van 12 april 2007 wegens toegenomen klachten. Het UWV herzag daarop haar uitkering per 10 mei 2007 naar 80-100% arbeidsongeschiktheid.
Appellante stelde in bezwaar en beroep dat de ingangsdatum van de herziening onjuist was en dat het UWV verplicht was een verzoek om terugkomen op eerdere besluiten door te geleiden. De rechtbank vernietigde het besluit en verklaarde het bezwaar ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de wettelijke wachttijd van vier weken in acht moest worden genomen en dat eerdere besluiten rechtens onaantastbaar waren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en overweegt dat de herziening van de WAO-uitkering niet eerder dan 10 mei 2007 kan ingaan, gelet op artikel 38, eerste lid, van de WAO. De Raad acht de door appellante aangevoerde argumenten onvoldoende en wijst erop dat zij zich uitdrukkelijk per 12 april 2007 ziek heeft gemeld. Tevens valt het verzoek om terug te komen op eerdere besluiten buiten de reikwijdte van deze procedure.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de herziening van de WAO-uitkering per 10 mei 2007 ingaat, conform de wettelijke wachttijd na ziekmelding op 12 april 2007.