ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAZ-uitkeringsaanvraag wegens ontbreken nieuw feiten of omstandigheden
Appellante, voormalig zelfstandig advocate, ontving sinds 2001 een WAZ-uitkering die in 2002 werd herzien naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. In 2004 werd de uitkering stopgezet vanwege inkomsten uit arbeid en het teveel betaalde bedrag teruggevorderd. Diverse bezwaren en beroepsprocedures volgden, waarbij uiteindelijk in 2007 de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 80 tot 100% vanaf 1 januari 2003.
Appellante verzocht in 2008 om nabetaling over 2003, maar het UWV wees dit af omdat het verlies aan verdiencapaciteit door inkomsten uit arbeid minder dan 20% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb Pro.
In hoger beroep betoogde appellante dat de herziening van de arbeidsongeschiktheidsklasse een nieuw feit vormde. De Raad onderschreef echter de rechtbank en oordeelde dat deze wijziging geen nieuw feit was en dat ook de bezwaren tegen de winstcijfers en maatmanloonberekening dit niet waren. De Raad bevestigde de uitspraak en wees het hoger beroep af.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en deed de uitspraak in het openbaar op 15 april 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WAZ-uitkeringsaanvraag bevestigd.