ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3384

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3189 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek terugkomen op ontslagbesluit universitair docent wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant was universitair docent aan de Rijksuniversiteit Groningen en werd na een periode van overspannenheid en een conflict gedetacheerd bij de politieregio Groningen. Na een onderzoek werd zijn detachering voortijdig beëindigd en verleende het college hem op eigen verzoek eervol ontslag per 1 december 2005. Appellant verzocht later met terugwerkende kracht salarisbetaling en toepassing van de wachtgeldregeling, stellende dat hij ziek was en het college had moeten zoeken naar een passende functie.

Het college weigerde terug te komen op het ontslagbesluit omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren gebleken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Raad dat het verzoek om terug te komen op het ontslagbesluit alleen kan slagen bij nieuwe feiten of omstandigheden, welke appellant niet heeft aangevoerd.

De Raad overweegt dat de ziekteperiode van appellant geen nieuw feit is omdat het college hiervan op de hoogte was en de bedrijfsarts al in maart 2005 concludeerde dat er geen arbeidsongeschiktheid meer was. Ook de stelling van misleiding is geen nieuw feit. Daarom is het verzoek terecht afgewezen en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het ontslagbesluit is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

08/3189 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland), (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 april 2008, 07/913 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: college)
Datum uitspraak: 28 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 31 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.R. van Dijk, werkzaam bij de Rijksuniversiteit Groningen.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was tot 1 december 2005 in dienst van de Rijksuniversiteit Groningen, laatstelijk als universitair docent bij de [naam vakgroep]. Na een periode van overspannenheid en een conflict is appellant vanaf 1 september 1999 gedetacheerd geweest bij de politieregio Groningen. Naar aanleiding van een onderzoek naar het functioneren van appellant heeft de korpsbeheerder bij besluit van 26 april 2005 de detachering van appellant met ingang van 1 mei 2005 voortijdig beëindigd.
1.2. Op 20 juni 2005 heeft appellant een gesprek gehad met de portefeuillehouder Middelen en de personeelsadviseur van de Rijksuniversiteit. Daarin is afgesproken dat appellant met ingang van 1 december 2005 gebruik zal gaan maken van een FPUplus-regeling. Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het college appellant op eigen verzoek met ingang van 1 december 2005 eervol ontslag verleend. Daartegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3. Bij brief van 8 maart 2007 heeft appellant aan het college verzocht om met terugwerkende kracht in aanmerking te komen voor doorbetaling van salaris gedurende twee jaar, plus toepassing van de wachtgeldregeling. Ter onderbouwing van dat verzoek heeft appellant gesteld dat het college het salaris had moeten doorbetalen, omdat hij ziek was en had moeten zoeken naar een voor hem passende functie. Indien die functie niet zou zijn gevonden had het college appellant eervol ontslag moeten verlenen met toepassing van de wachtgeldregeling.
1.4. Bij besluit van 18 april 2007 heeft het college geweigerd terug te komen van het besluit van 2 augustus 2005, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
2. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.
4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat nu appellant tot zijn ontslag salaris heeft ontvangen, de verzoeken die appellant aan het college heeft gedaan eerst aan de orde kunnen komen indien het bij besluit van 2 augustus 2005 gegeven ontslag is ingetrokken. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat sprake is van een verzoek om terug te komen van dàt besluit.
4.2. Op grond van vaste rechtspraak mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die een dergelijk terugkomen kunnen rechtvaardigen. Indien geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
4.3. Appellant heeft gesteld dat zijn ziekte als een nieuw feit moet worden aangemerkt, mede omdat het college bij het verleende ontslag die ziekte volledig buiten beschouwing heeft gelaten. De Raad volgt appellant daarin niet. Uit het dossier blijkt duidelijk dat het college bekend was met de ziekteperiode van appellant, zodat reeds om die reden geen sprake is van een nieuw feit. Daarbij komt dat de bedrijfsarts al op 8 maart 2005 heeft geconcludeerd dat er op medische gronden geen reden meer was voor arbeidsongeschiktheid en appellant zich voor de datum van het ontslagbesluit ook hersteld heeft gemeld. De thans betrokken stelling dat hij niettemin ziek was, betreft dus geen nieuw feit, maar is een argument dat hij ook destijds tegen het verleende ontslag had kunnen inbrengen.
4.4. Voor zover appellant heeft gesteld dat hij ten tijde van zijn ontslagverzoek is misleid, valt die stelling evenmin aan te merken als nieuw feit of omstandigheid.
4.5. Het vorenstaande betekent dat het verzoek om terug te komen van het besluit van 2 augustus 2005 op goede gronden is afgewezen.
4.6. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2011.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) K. Moaddine.
IJ