ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3522
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Effectieve rechtsbescherming en terugwerkende kracht bij halfwezenuitkering na schending IVBPR
Appellante, die ongehuwd samenwoonde met haar overleden partner en een kind heeft, vroeg vanaf 1995 meerdere keren een halfwezenuitkering aan bij de Sociale verzekeringsbank (Svb). Deze aanvragen werden afgewezen omdat zij niet gehuwd was met de overledene. Na diverse procedures tot aan het Comité voor de rechten van de Mens, dat oordeelde dat de weigering een schending van artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) was, kende de Svb alsnog een uitkering toe met ingang van maart 2006.
Appellante stelde dat zij recht had op terugwerkende kracht vanaf 1 juli 1996 en dat de Svb en rechtbank haar geen effectieve rechtsbescherming boden zoals vereist in artikel 2, derde lid, van het IVBPR. De Raad oordeelt dat de Svb onrechtmatig heeft gehandeld door de aanspraak slechts als herhaalde aanvraag te beoordelen en geen volledige terugwerkende kracht toe te kennen, ondanks de bijzondere omstandigheden en internationale inzichten.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat de Svb een nieuwe beslissing moet nemen waarbij daadwerkelijk rechtsherstel wordt verleend, inclusief vergoeding van proceskosten. Tevens wordt de Svb veroordeeld tot vergoeding van de gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak worden vernietigd, en de Svb dient een nieuwe beslissing te nemen met daadwerkelijk rechtsherstel en vergoeding van proceskosten.