ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onvoldoende re-integratie-inspanningen tijdens wachttijd WIA-uitkering
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vraag centraal of betrokkene, werkgever van een arbeidsongeschikte werkneemster, voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht tijdens de wachttijd van een WIA-uitkering. Het UWV had een loonsanctie opgelegd wegens onvoldoende re-integratieactiviteiten, welke door betrokkene werd bestreden.
De rechtbank had het besluit van het UWV vernietigd en het beroep van betrokkene gegrond verklaard, stellende dat betrokkene mocht uitgaan van het medisch advies van de bedrijfsarts en daarom niet verweten kon worden onvoldoende inspanningen te hebben geleverd. Het UWV ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat betrokkene te afwachtend was en onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, zowel in het eerste als tweede spoor. De Raad wijst erop dat betrokkene als werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie, ook indien het medisch advies onjuist blijkt. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen het loonsanctie-besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard.