ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3657

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4473 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van re-integratie-inspanningen door werkgever in het kader van de Wet WIA

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 4 mei 2011 uitspraak gedaan in het hoger beroep van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Breda. De zaak betreft de re-integratie-inspanningen van een werkgever, Administratiekantoor [naam B.V.], in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De Raad oordeelt dat het Uwv terecht heeft gesteld dat de werkgever tijdens de wachttijd te afwachtend is geweest en dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn geweest. Ondanks de bedenkingen van de werkneemster over haar terugkeer naar werk, had de werkgever meer moeten doen om re-integratie te bevorderen. De Raad vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de werkgever tegen het bestreden besluit ongegrond. De Raad benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever ligt en dat er geen deugdelijke grond was voor de tekortkomingen in de re-integratie-inspanningen van de werkgever. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer, waarbij de voorzitter en twee leden aanwezig waren. De beslissing is openbaar uitgesproken en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitspraak

09/4473 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juli 2009, 08/6045 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
Administratiekantoor [naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 4 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. R.A.P. Bruurs, advocaat te Tilburg, een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 15 februari 2011 heeft appellant de gronden van zijn hoger beroep nader toegelicht.
Betrokkene heeft de Raad bij brief van 10 maart 2011 nadere informatie verstrekt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.M.M. Schalkwijk. Betrokkene is met berichtgeving niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 30 juli 2008 heeft appellant het tijdvak van 104 weken waarover [naam werkneemster] jegens betrokkene recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken verlengd. Appellant heeft deze verlenging (ook aangeduid als: de loonsanctie) opgelegd, omdat betrokkene niet heeft voldaan aan haar re-integratie-plichten. Voor dit verzuim ontbreekt volgens appellant een deugdelijke grond. Hierbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, in samenhang met artikel 65, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.2. Bij besluit van 24 november 2008 (bestreden besluit) heeft appellant, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel van 15 oktober 2008 en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige B. Gulmans van 18 november 2008, het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen over het griffierecht en de proceskosten - het door betrokkene ingediende beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 30 juli 2008 herroepen en tevens bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat er voor betrokkene geen objectieve aanleiding bestond te veronderstellen dat het advies van haar bedrijfsarts niet deugdelijk was. Werkneemster viel op 18 september 2006 uit voor haar werk als administratief medewerkster met nekklachten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant ten onrechte geconcludeerd dat betrokkene door het volgen van de - achteraf bezien - onjuiste medisch conclusie van de bedrijfsarts van 3 september 2007 over de mogelijkheden van werkneemster op de arbeidsmarkt verweten kan worden onvoldoende re-integratie-inspanningen te hebben verricht.
3. In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - gewezen op de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering, in het bijzonder op de ter zake uitgebrachte rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, en betwist dat betrokkene niet verweten kan worden voldoende re-integratie-inspanningen te hebben verricht. Betrokkene heeft zonder deugdelijke grond geen, althans onvoldoende re-integratie-activiteiten in gang gezet. Werkneemster was uitgevallen met nekklachten met vervolgens uitstraling naar de rechterarm. De bedrijfsarts heeft zich echter zonder aanvaardbare medische onderbouwing op het standpunt gesteld dat er voor werkneemster geen benutbare mogelijkheden waren. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat betrokkene als werkgever van het medisch oordeel van de bedrijfsarts mocht uitgaan, omdat er voor betrokkene geen omstandigheden waren om te twijfelen aan de juistheid of consistentie van het advies van de bedrijfsarts. Appellant heeft daarbij gewezen op de uitspraken van de Raad van 18 november 2009, LJN BK3704 en LJN BK3713.
4. Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. De uitgebrachte adviezen van de bedrijfsarts gaven haar geen enkele reden tot twijfel aan de daarin vermelde conclusies.
5.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. Het geschil is toegespitst op de vraag of appellant zich op basis van een toereikende grondslag op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is geweest van verwijtbaar onvoldoende re-integratie-inspanningen verrichten door betrokkene als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, omdat geen, althans onvoldoende re-integratie-activiteiten zij ingezet via het eerste en het tweede spoor door het opvolgen van het advies terzake van de bedrijfsarts.
5.2. Met betrekking tot het standpunt van betrokkene dat zij steeds de adviezen van de door haar, via de arbodienst, ingeschakelde bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn door appellant genoemde uitspraken van 18 november 2009, waarin is geoordeeld dat appellant er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever is gelegen. In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding ten aanzien van betrokkene tot een andersluidend oordeel te komen.
5.3. Het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapporten van de verzekeringsarts van 3 en 29 juli 2008, de arbeidsdeskundige van 21 juli 2008, de bezwaarverzekeringsarts van 15 oktober 2008 en de bezwaararbeidsdeskundige van 18 november 2008. Geconcludeerd is dat ten onrechte is aangenomen dat er voor de werkneemster geen benutbare mogelijkheden waren. Gelet op de beschikbare informatie komt de Raad tot het oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene tijdens de wachttijd te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in die periode, zowel wat het eerste als het tweede spoor betreft, onvoldoende zijn gebleven. Ondanks de bedenkingen die bij werkneemster bestonden ten aanzien van de terugkeer in haar werk als administratief medewerkster in het bedrijf van betrokkene, konden van werkneemster en betrokkene tijdens de wachttijd re-integratie-inspanningen worden verwacht. In dit verband wijst de Raad er nog op dat uit het op verzoek van werkneemster en betrokkene uitgebrachte deskundigenoordeel blijkt dat werkneemster (in elk geval) op 18 augustus 2008 haar eigen werk voor zes uur per week kon verrichten.
5.4. Naar aanleiding van het standpunt van betrokkene dat er iets ernstigs aan de hand is met werkneemster, gelet op het feit dat aan haar met ingang van 14 september 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend overweegt de Raad - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 september 2010, LJN BN8780 - dat die beoordeling achteraf heeft plaatsgevonden op basis van andere maatstaven dan in het onderhavige geding aan de orde. Daaruit kunnen dan ook geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de beantwoording van de vraag of betrokkene in de wachttijd voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.
5.5. De Raad onderschrijft voorts de conclusie van appellant dat betrokkene voor haar tekortkomingen op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad.
5.6. Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 24 november 2008 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
JL