ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3662
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken dringende redenen tot afzien
Appellant ontving bijstand vanaf augustus 2004 en werd geconfronteerd met intrekking van zijn uitkering over de periode 9 december 2008 tot en met 18 januari 2009, omdat hij niet aannemelijk maakte waar hij verbleef. Het College herzag het besluit en handhaafde de intrekking, waarbij het geen dringende redenen zag om hiervan af te wijken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn uitzichtloze woonsituatie, veroorzaakt door ontruiming van zijn woning, als dringende reden moest gelden om intrekking te voorkomen. De Raad oordeelde dat het College het beleid correct toepaste, waarbij alleen uitzonderlijke sociale of financiële consequenties aanleiding geven tot afzien van intrekking.
De Raad concludeerde dat de omstandigheden van appellant niet uitzonderlijk genoeg waren en dat het College alle relevante feiten had meegewogen. De korte duur van de intrekking speelde hierbij een rol. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd omdat geen dringende redenen zijn aangetoond om hiervan af te zien.