ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving vanaf 1 juli 2006 bijstand als alleenstaande ouder. Na constatering dat zij beschikte over een auto geregistreerd op naam van appellant, startte de sociale recherche een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Dit leidde tot het besluit van het dagelijks bestuur om de bijstand met ingang van 1 december 2007 in te trekken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.
Daarnaast werd de bijstand over de periode van 1 december 2006 tot en met 30 november 2007 ingetrokken en teruggevorderd, omdat appellante deze gezamenlijke huishouding niet had gemeld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking van 10 juli 2008 gegrond wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar handhaafde de rechtsgevolgen, en wees het beroep tegen de terugvordering af.
In hoger beroep betwistten appellanten het voeren van een gezamenlijke huishouding in de relevante periode, onder meer vanwege het werk van appellant dat hem vaak in hotels deed overnachten. De Raad oordeelde dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante, ondersteund door verklaringen, observaties en het proces-verbaal. Ook werd voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg.
De Raad concludeerde dat het dagelijks bestuur bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenplicht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd.