ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3845
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- M.C. Bruning
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling disciplinaire maatregelen en beëindiging werkzaamheden bij gemeente Rotterdam
Appellant, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, werd geconfronteerd met beëindiging van zijn werkzaamheden bij het project bedrijfskleding per 1 juli 2004. Hij voerde aan dat er na die datum nog voldoende werkzaamheden waren, maar de Raad oordeelde dat de ingediende stukken dit niet onderbouwen en bevestigde de beëindiging.
Verder werd appellant geschorst en ontzegd toegang tot de gebouwen vanwege het laten branden van vertrouwelijke bedrijfsinformatie op cd’s en het niet retourneren daarvan. Dit werd als plichtsverzuim aangemerkt en leidde tot een disciplinaire straf in de vorm van salarisvermindering. De Raad vond de straf niet onevenredig.
Ten aanzien van het bijzonder verlof stelde de Raad vast dat appellant wel degelijk procesbelang had, vernietigde het besluit hierover en veroordeelde het college in de kosten van bezwaar en beroep. De overige uitspraken van de rechtbank werden bevestigd.
De zaak illustreert de zorgvuldige toetsing van disciplinaire maatregelen binnen het ambtenarenrecht en het belang van procesbelang bij bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Beëindiging werkzaamheden en disciplinaire straf bevestigd, besluit bijzonder verlof vernietigd en college veroordeeld in proceskosten.