ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4026
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing terugwerkende kracht bijstandsuitkering na afgewezen WW-uitkering
Appellant had op 4 december 2007 een werkloosheidsuitkering aangevraagd die op 11 december 2007 werd afgewezen. Vervolgens vroeg hij op 28 december 2007 bijstand aan. Het College kende de bijstand toe vanaf 28 december 2007, maar appellant wilde terugwerkende kracht vanaf de datum van de WW-aanvraag.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat voor elke uitkering een afzonderlijke aanvraag vereist is en dat het beleid van het College een termijn van een week na afwijzing van de WW-uitkering als redelijke termijn voor een bijstandsaanvraag hanteert. Appellant had zich niet binnen die termijn gemeld en kon niet aannemelijk maken dat hem dat te verwijten viel.
De Raad oordeelde dat appellant het besluit van afwijzing waarschijnlijk op of kort na 11 december 2007 had ontvangen en dat zijn stelling van onjuiste postbezorging onvoldoende was onderbouwd. Daarom was het College terecht uitgegaan van de datum van de bijstandsaanvraag als ingangsdatum van de uitkering.
Het beroep op bijzondere omstandigheden en op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol van het EVRM werd niet gegrond verklaard. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De bijstandsuitkering wordt toegekend vanaf de datum van de bijstandsaanvraag en niet met terugwerkende kracht vanaf de datum van de afgewezen WW-aanvraag.