ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4085
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen sinds 1985 bijstand, waaronder aanvullende bijstand naast het AOW-pensioen. Naar aanleiding van een melding dat zij vakantie vierden in een eigen woning in Turkije, werd de bijstand opgeschort en later ingetrokken vanwege het niet overleggen van een taxatierapport. Uit onderzoek bleek dat appellanten eigenaar waren van meerdere woningen en landbouwgrond in Turkije met een aanzienlijke waarde.
Het College trok de bijstand over de periode van 1997 tot 2006 in en vorderde ten onrechte ontvangen bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij hun bezittingen na de periode hadden verkocht en schulden hadden afbetaald, en dat het recht op bijstand vastgesteld kon worden op basis van het taxatierapport.
De Raad oordeelde dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden en niet aannemelijk hadden gemaakt dat hun vermogen onder de vermogensgrens was gekomen gedurende de periode in geding. Het latere verkopen van bezittingen was niet relevant voor die periode. Nieuwe beroepsgronden over het huidige inkomen en dubbele betaling werden niet ontvankelijk verklaard omdat die buiten het geschil vielen.
De Raad bevestigde dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen en dat het College dit in redelijkheid had gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.