ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5215

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2895 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 WWBArt. 34 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering langdurigheidstoeslag wegens overschrijding inkomensgrens

Appellant, die een uitkering ontvangt op grond van de Ioaw en aanvullende bijstand volgens de WWB, heeft een aanvraag ingediend voor langdurigheidstoeslag. Het College van burgemeester en wethouders van Maastricht wees deze aanvraag af omdat appellant in de referteperiode van 60 maanden inkomsten uit arbeid had die hoger waren dan de door het College vastgestelde grens van € 764 per jaar.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad onderzocht of appellant voldeed aan de inkomenseis van artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWB. Uit het dossier bleek dat appellant in de referteperiode substantieel meer dan € 764 per jaar aan inkomsten uit arbeid had ontvangen.

De Raad oordeelde dat dit gegeven op zichzelf voldoende was om de aanvraag af te wijzen, ook al was appellant langdurig afhankelijk van bijstand en kwam hij met zijn inkomsten nooit boven het bijstandsniveau uit. Het feit dat appellant arbeidsongeschikt is verklaard en een Ioaw-uitkering ontvangt, geeft geen recht op langdurigheidstoeslag. De Raad bevestigde daarom het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag wordt afgewezen omdat appellant gedurende de referteperiode inkomsten uit arbeid boven de toegestane grens heeft ontvangen.

Uitspraak

09/2895 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 april 2009, 08/1276 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)
Datum uitspraak: 17 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wudka. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht van verhindering, niet ter zitting laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en aanvullende bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Op 9 april 2008 heeft appellant een aanvraag ingediend om langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van Pro de WWB.
1.3. Bij besluit van 27 mei 2008 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant gedurende de referteperiode van 60 maanden inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen die lagen boven de daartoe door het College vastgestelde grens van € 764,- per jaar.
1.4. Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 2008 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde inkomenseis.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 juni 2008 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 36, eerste lid, van de WWB (tekst tot 1 januari 2009) is bepaald, voor zover hier van belang, dat het College op aanvraag een langdurigheidstoeslag verleent aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:
a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden (hierna: referteperiode) een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft Pro;
b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief.
4.2. In dit geding staat de vraag centraal of appellant heeft voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWB genoemde voorwaarde. Het College heeft de hem in onderdeel b gegeven beoordelingsvrijheid beleidsmatig aldus ingevuld dat aan de voorwaarde van onderdeel b wordt voldaan als de belanghebbende gedurende de referteperiode inkomsten uit of in verband met arbeid heeft genoten die het bedrag van € 764,- per jaar niet te boven gaan.
4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de referteperiode inkomsten uit arbeid heeft genoten en met een zekere regelmaat en gedurende langere perioden een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet heeft ontvangen en dat die inkomsten in de jaren 2004 tot en met 2007 substantieel uitstegen boven de daartoe door het College gestelde grens van
€ 764,- per jaar. Gelet op artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWB staat reeds dit gegeven in de weg aan verlening van de gevraagde langdurigheidstoeslag. Het feit dat appellant langdurig afhankelijk is van bijstand en met zijn inkomsten - die steeds volledig op de bijstandsuitkering in mindering zijn gebracht - nimmer boven het bijstandsniveau is uitgekomen kan daaraan niet afdoen. Dit betekent in dit kader immers niet meer of minder dan dat aan het bepaalde in artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel a is voldaan, hetgeen op zichzelf onvoldoende is om voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking te komen. Dat appellant een uitkering ingevolge de Ioaw ontvangt en inmiddels, naar zeggen van appellant, geheel arbeidsongeschikt is bevonden, kan appellant evenmin baten nu die omstandigheden op zichzelf geen aanspraak op langdurigheidstoeslag scheppen.
4.4. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat appellant ten tijde hier van belang niet heeft voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWB gestelde voorwaarde, zodat het College bij besluit van 26 juni 2008 de eerdere afwijzing van de aanvraag voor een langdurigheidstoeslag terecht heeft gehandhaafd.
5. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2011.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) R. Scheffer.
HD