ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en passende functies
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek en de arbeidskundige beoordeling zorgvuldig en juist waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij meer beperkingen ondervindt dan vastgesteld en dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om de voorgestelde functies te kunnen vervullen. Zij overlegde medische stukken en medicatielijsten ter onderbouwing.
De Raad heeft het medisch oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bevestigd, die rekening hielden met rug-, knie- en psychische klachten. De aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) weerspiegelt deze beperkingen adequaat. De Raad acht de voorgestelde functies medisch passend en wijst het argument van appellante over onvoldoende taalbeheersing af, omdat mondelinge beheersing van de Nederlandse taal als een algemeen gebruikelijke bekwaamheid wordt beschouwd die binnen zes maanden kan worden verworven.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.