ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6460

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2161 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van WAO-uitkering en geschiktheid van functies in het kader van arbeidsongeschiktheid

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, waarin de intrekking van haar WAO-uitkering door het Uwv werd bevestigd. De Centrale Raad van Beroep heeft op 27 mei 2011 uitspraak gedaan. Appellante, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. J.P.C.M. van Es, heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar medische beperkingen door het Uwv zijn onderschat. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functies die aan appellante waren voorgehouden, medisch geschikt waren. De Raad heeft de argumenten van appellante in hoger beroep beoordeeld en geconcludeerd dat deze geen nieuwe gezichtspunten bevatten die de eerdere oordelen van de rechtbank zouden kunnen ondermijnen. De Raad heeft de medische grondslag van het bestreden besluit bevestigd en vastgesteld dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. De Raad heeft daarom het hoger beroep van appellante verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

10/2161 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2010, 09/3391 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld. Daarbij zijn enige nadere stukken overgelegd.
Het Uwv heeft een verweerschrift overgelegd en op verzoek van de Raad nadere stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Es, voornoemd. Het Uwv is -met bericht- niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een uitvoeriger overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 9 maart 2009, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 24 augustus 2009 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingaande 10 mei 2009 ingetrokken. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellante vanwege nek-, rug- en armklachten beperkt is in haar belastbaarheid maar dat zij, rekening houdende met deze beperkingen, weer in staat is te achten gangbare arbeid te verrichten. Het verlies aan verdiencapaciteit is door het Uwv op grond van een theoretische schatting berekend op minder dan 15%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft over de medische grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat zij geen redenen heeft om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies daarvan. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de aan appellante voorgehouden functies in medisch opzicht geschikt zijn voor haar. Vergelijking van het inkomen dat appellante in deze functies zou kunnen verdienen met appellantes maatmaninkomen geeft naar het oordeel van de rechtbank geen verlies aan verdienvermogen, zodat het Uwv terecht met ingang van 10 mei 2009 appellantes WAO uitkering heeft ingetrokken.
3. In hoger beroep heeft appellante de juistheid van de aangevallen uitspraak aangevochten. Zij heeft daartoe in essentie dezelfde beroepsgronden aangevoerd als in bezwaar en beroep. Ter zitting van de Raad is door appellante met name aangevoerd dat haar bewegingsproblemen en pijnklachten ten gevolge van onder andere het carpaal tunnel syndroom onverminderd aanwezig zijn. Appellante stelt dat het Uwv de door deze klachten veroorzaakte beperkingen heeft onderschat. Voorts heeft appellante ter zitting aangevoerd dat zij vanwege haar klachten en beperkingen niet in staat is zelfstandig een huishouden te voeren en dat zij noodgedwongen bij haar zoon inwoont. Tot slot heeft appellante ter zitting aangevoerd dat de belasting, voorkomend in de aan haar voorgehouden functies, haar belastbaarheid overschrijdt.
4.1. De Raad overweegt ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit dat hij zich geheel kan vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De in hoger beroep namens appellante overgelegde stukken bevatten naar het oordeel van de Raad geen objectieve medische gegevens die haar stelling ondersteunen dat zij op de datum in geding verdergaand beperkt is dan door de artsen van het Uwv is aangenomen en beschreven in de FML van 22 januari 2009.
4.2. Uitgaande van de juistheid van de door de artsen van het Uwv vastgestelde en in de FML beschreven beperkingen is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. De onderbouwing hiervoor vindt de Raad terug in het rapport van de arbeidsdeskundige van 6 maart 2009 en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 augustus 2009 waarin de geschiktheid van de voorgehouden functies nader is toegelicht. De Raad ziet, gelet op hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, geen aanleiding om deze toelichting voor onjuist te houden.
4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en H. Bolt en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2011.
(get.) H.J. Simon
(get.) M.A. van Amerongen
EF