ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken oorzakelijk verband hernia
Appellante ontving sinds 1990 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, welke in 2007 werd ingetrokken vanwege een vermindering van de arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. Na melding van toegenomen klachten in 2009 weigerde het UWV de hernieuwde toekenning van de uitkering, omdat de toegenomen beperkingen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan de eerdere arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er geen oorzakelijk verband is tussen de eerdere arbeidsongeschiktheid en de hernia die in 2008 werd vastgesteld. In hoger beroep betoogde appellante dat het UWV niet overtuigend had aangetoond dat de toegenomen beperkingen een andere oorzaak hadden.
De Raad oordeelde dat artikel 43a van de WAO van toepassing is, omdat de eerdere uitkering was ingetrokken en niet slechts herzien. Uit het medische onderzoek, waaronder rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en neuroloog, blijkt dat de klachten voor 2007 niet gerelateerd waren aan een hernia. De Raad vond het onderzoek zorgvuldig en zag geen reden om te twijfelen aan het ontbreken van een oorzakelijk verband.
De stelling van appellante dat de hernia mogelijk eerder aanwezig was, werd verworpen, mede omdat MRI al sinds de jaren tachtig werd gebruikt en de huisarts in 2006 geen aanwijzingen voor een hernia vond. De verklaring van de huisarts uit 2011 bevestigde dat een oorzakelijk verband niet kon worden gelegd.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens ontbreken van oorzakelijk verband tussen eerdere arbeidsongeschiktheid en hernia.