ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- W.H. Bel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek immateriële schadevergoeding na intrekking bijstandsuitkering
Appellante ontving algemene en bijzondere bijstand op grond van de WWB, maar het College trok haar algemene bijstand per 1 juli 2007 in vanwege een vermogen dat de vrijlatingsgrens overschreed. Na bezwaar en beroep werd het College opgedragen nieuwe besluiten te nemen en werd bijstand alsnog verleend voor een deel van de periode. Appellante vorderde vergoeding van immateriële en materiële schade.
De rechtbank wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af, maar oordeelde dat de materiële schadevergoeding ten onrechte beperkt was tot vertragingsschade. Appellante ging hiertegen in hoger beroep. De Raad oordeelde dat hoewel psychisch onbehagen aannemelijk was, het niet voldeed aan de criteria voor ernstige inbreuk op persoonlijke levenssfeer zoals bedoeld in artikel 6:106 BW Pro, en bevestigde daarmee de afwijzing van immateriële schadevergoeding.
Ten aanzien van materiële schade stelde de Raad vast dat de gestelde schadeposten niet in voldoende verband stonden met het besluit van 17 juli 2007 en dus niet aan het College konden worden toegerekend. De Raad vernietigde daarom de uitspraak over materiële schadevergoeding en verklaarde het beroep tegen het besluit van 3 november 2009 ongegrond.
De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 mei 2011.
Uitkomst: Verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen; beroep tegen materiële schadevergoeding ongegrond verklaard.