ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7507
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens
Appellante ontving vanaf november 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst werd een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat appellante een bankrekening bij de Demir Halk Bank had geopend waarop aanzienlijke tegoeden stonden, die zij niet had opgegeven. Het College van burgemeester en wethouders van Delft trok de bijstand over de periode van november 2005 tot juni 2007 in en vorderde de gemaakte kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het geld niet aan haar toebehoorde en dat niet alle schulden waren betrokken bij de vermogensvaststelling. De Raad stelde vast dat appellante onvoldoende bewijs leverde dat zij niet over de tegoeden kon beschikken en dat de schuldenlijst van het College juist was vastgesteld.
Omdat appellante geen verifieerbare stukken kon overleggen en de inlichtingenplicht schond, had zij geen recht op bijstand over de periode waarin het vermogen de grens overschreed. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.