ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7705
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit op medische grondslag na herziening arbeidsongeschiktheid
Appellante, die sinds oktober 1997 arbeidsongeschikt is, kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering toegekend met een hoge mate van arbeidsongeschiktheid. Na herzieningen en intrekking van de uitkering, verzocht zij om herstel van de uitkering vanwege vermeerde arbeidsongeschiktheid. Het UWV kende haar per 1 juli 2006 een WAO-uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij de medische beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts en de psychiater Hassing als betrouwbaar en voldoende gemotiveerd beschouwde. De rechtbank zag geen aanleiding voor aanvullende medische onderzoeken of urenbeperkingen vanwege geheugen- en concentratieproblemen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het rapport van psychiater Hassing tegenstrijdigheden bevatte en dat er ten onrechte geen urenbeperking was opgenomen. De Raad oordeelde echter dat de medische rapporten consistent en zorgvuldig waren en dat er onvoldoende objectieve medische aanwijzingen waren voor verdere beperkingen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om de WAO-uitkering toe te kennen op basis van een deugdelijke medische grondslag wordt bevestigd.