ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7742
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- A.B.J. van der Ham
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens schending Awb bij intrekking bijstandsuitkering
Appellant ontving sinds 2002 bijstand en kreeg deze ingetrokken over de periode van 4 juli tot 7 november 2007 omdat hij niet op het opgegeven adres zou verblijven. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij geen uitnodiging voor de zitting had ontvangen, wat de Raad bevestigde, waardoor de uitspraak van de rechtbank niet rechtsgeldig tot stand kwam en vernietigd moest worden.
De Raad oordeelde dat het College bevoegd was het onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant uit te voeren op grond van de WWB. Uit het onderzoek en verklaringen bleek dat appellant meer verbleef bij zijn moeder in een andere gemeente en dat hij op het opgegeven adres weinig persoonlijke bezittingen had, wat de Raad aannemelijk achtte.
Daarmee was het College bevoegd de bijstand over de genoemde periode in te trekken. Het beroep van appellant werd uiteindelijk ongegrond verklaard. De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand wordt bevestigd.