ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7769
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging loondervingsuitkering WAO en bevestiging vervolguitkering
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV waarin werd medegedeeld dat zijn loondervingsuitkering op grond van de WAO eindigde per 16 april 2008 en werd voortgezet als een vervolguitkering. Appellant voerde aan dat hij recht zou hebben op het oude, gunstigere WAO-regime omdat hij tot begin 1993 een WAO-uitkering ontving en beriep zich op artikel XVII van de Wet TBA.
De rechtbank oordeelde dat appellant op 31 juli 1993 geen WAO-uitkering ontving en dat hij daardoor niet onder het overgangsrecht van de Wet TBA valt. De Centrale Raad onderschrijft deze overwegingen en wijst het beroep af. Tevens verwierp de Raad het argument van appellant dat de wet breed interpreteerbaar is en dat de rechtbank ten onrechte niet op zijn gronden inzake het maatmanloon en de hoogte van de uitkering is ingegaan.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de loondervingsuitkering wordt gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de loondervingsuitkering wordt bevestigd.