ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7769

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5924 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. XVII Wet TBAArt. 21 WAOArt. 22 WAOArt. 40 WAOArt. 53 WAO
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging loondervingsuitkering WAO en bevestiging vervolguitkering

Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV waarin werd medegedeeld dat zijn loondervingsuitkering op grond van de WAO eindigde per 16 april 2008 en werd voortgezet als een vervolguitkering. Appellant voerde aan dat hij recht zou hebben op het oude, gunstigere WAO-regime omdat hij tot begin 1993 een WAO-uitkering ontving en beriep zich op artikel XVII van de Wet TBA.

De rechtbank oordeelde dat appellant op 31 juli 1993 geen WAO-uitkering ontving en dat hij daardoor niet onder het overgangsrecht van de Wet TBA valt. De Centrale Raad onderschrijft deze overwegingen en wijst het beroep af. Tevens verwierp de Raad het argument van appellant dat de wet breed interpreteerbaar is en dat de rechtbank ten onrechte niet op zijn gronden inzake het maatmanloon en de hoogte van de uitkering is ingegaan.

De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de loondervingsuitkering wordt gehandhaafd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de loondervingsuitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

10/5924 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2010, 09/4090 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar tegen het besluit van 16 januari 2009 waarin het Uwv appellant heeft medegedeeld dat de periode van de loondervingsuitkering op grond van de WAO eindigt op 16 april 2008 en dat de uitkering vanaf die datum wordt voortgezet als een vervolguitkering.
2. Appellant heeft tegen het besluit van 16 juni 2009 beroep ingesteld. Appellant heeft aangevoerd dat, aangezien hij tot begin 1993 een WAO-uitkering heeft ontvangen, zijn uitkering onder het oude meer gunstige WAO-uitkeringsregime zou moeten vallen, zodat hij onbeperkt recht heeft op een loondervingsuitkering. Appellant beroept zich op artikel XVII, eerste lid, van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA). De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de Wet TBA op 1 augustus 1993 in werking is getreden en dat (zoals ter zitting is bevestigd) appellant de dag daar aan voorafgaand (31 juli 1993) geen WAO-uitkering ontving. Uit de redactie van artikel XVII, eerste lid, onder a, van de Wet TBA volgt naar het oordeel van de rechtbank dat indien op 31 juli 1993 geen recht bestaat op een WAO-uitkering, de betrokkene niet onder het overgangsrecht valt. Dat appellant begin 1993 zelf heeft aangegeven dat hij zijn op € 0,- vastgestelde WAO-uitkering wilde beëindigen om zijn werkhorizon te verbreden, maakt het vorenstaande niet anders.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat artikel XVII van de Wet TBA en de artikelen 21, 22, 40, 53 en 59b, vierde lid van de WAO van toepassing zijn. Omdat de wet breed interpretabel is, kan ieder het anders invullen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank niet is ingegaan op de gronden met betrekking tot het maatmanloon en de berekening ervan en de hoogte van de uitkering die, naar zijn mening, niet klopt.
4.1. De Raad overweegt dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat appellants uitkering niet onder het oude regime valt. De Raad volstaat met te verwijzen naar de overwegingen van de rechtbank zoals die zijn weergegeven in de aangevallen uitspraak. De Raad onderschrijft deze overwegingen geheel.
4.2. De stelling van appellant dat de wet breed interpretabel is en dat iedereen het anders in kan vullen, slaagt niet. De van toepassing zijnde artikelen dienen te worden uitgelegd als door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gedaan.
4.3. De Raad volgt appellant niet in zijn beroepsgrond als weergegeven in 3 dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn gronden met betrekking tot het maatmanloon en de hoogte van zijn uitkering. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank volgt dat de gemachtigde van appellant - nu een hoger maatmanloon in dit geval niet kan leiden tot een hoger bedrag aan uitkering - het beroep uitdrukkelijk heeft beperkt tot de vraag of appellant rechten kan ontlenen aan artikel XVII, eerste lid, van de Wet TBA.
5. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2011.
(get.) J. Brand.
(get.) T.J. van der Torn.
NW