ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7774
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toekenning arbeidsongeschiktheidsuitkering na bezwaar en beroep
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 26 maart 2002, waarbij hem werd geweigerd een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen met ingang van 21 november 1991. Het UWV handhaafde dit besluit bij besluit van 29 mei 2009. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Amsterdam, die het beroep ongegrond verklaarde. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep heeft appellant geen nieuwe gronden aangevoerd en verwezen naar de eerder ingediende beroepsgronden. De Raad heeft de beoordeling van de rechtbank gevolgd en geen aanleiding gezien om het oordeel te wijzigen. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Partijen waren niet ter zitting verschenen. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep. De procedure en beoordeling richtten zich op de vraag of het UWV terecht heeft geweigerd een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen aan appellant. De Raad vond dat de rechtbank de gronden van appellant op juiste wijze had beoordeeld en dat het hoger beroep geen doel treft.
De uitspraak bevestigt daarmee de weigering van het UWV om terug te komen op het oorspronkelijke besluit en de afwijzing van het beroep door de rechtbank. Dit betekent dat appellant geen recht krijgt op een uitkering op grond van de AAW en WAO met ingang van de genoemde datum.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de arbeidsongeschiktheidsuitkering blijft in stand.