ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7783
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering wegens meerinkomen na studiefinanciering en lening
Appellant ontving in 2006 studiefinanciering, eerst als prestatiebeurs en later als lening. De Minister legde een vordering wegens meerinkomen op over het gehele jaar 2006. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat een lening een vorm van studiefinanciering is en dat appellant de gevolgen van de lening voor de bijverdienregeling had kunnen afleiden uit de ontvangen informatie.
In hoger beroep betoogde appellant dat de Minister tekort was geschoten in zijn informatieplicht over de gevolgen van de lening. De Raad oordeelt echter dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat geen onjuiste informatie is verstrekt. Ook onvolledige voorlichting leidt niet tot een rechtens relevante toezegging.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De vordering wegens meerinkomen wordt bevestigd en het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt afgewezen.