ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7828
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving vordering OV-kaart na niet tijdig inleveren door appellant
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot oplegging van een vordering voor de OV-kaart over oktober 2009, omdat hij zijn OV-kaart niet tijdig had ingeleverd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de vordering, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het niet tijdig inleveren hem niet kon worden toegerekend. Appellant voerde in hoger beroep aan dat dit onterecht was, maar de Raad sloot zich aan bij de rechtbank.
De Raad benadrukte dat het recht op een OV-kaart gekoppeld is aan het recht op studiefinanciering en dat appellant expliciet en tijdig was geïnformeerd dat zijn recht op de OV-kaart per 1 september 2009 zou eindigen. Er was geen reden voor de Minister om appellant anderszins te waarschuwen.
Andere door appellant ingediende gronden faalden eveneens. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De Raad bevestigde het bestreden besluit en handhaafde de vordering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de handhaving van de vordering voor de OV-kaart over oktober 2009 wegens niet tijdig inleveren door appellant.