ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- H. Bolt
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete en terugvordering Ziektewet na niet-opgegeven werkzaamheden
Betrokkene ontving van 21 april 2006 tot 16 mei 2007 een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde op basis van fraudeonderzoeken vast dat betrokkene in diverse weken in 2006 werkzaamheden verrichtte bij twee werkgevers, zonder dit te melden. Dit leidde tot verlaging van de uitkering, terugvordering van teveel betaalde bedragen en oplegging van een bestuurlijke boete.
De rechtbank vernietigde deze besluiten vanwege onzorgvuldigheden, waaronder onvoldoende onderzoek naar urenstaten en het onleesbaar maken van delen van een verklaring. Het UWV en betrokkene gingen in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat betrokkene werkzaam was en dat het risico van bewijslevering bij betrokkene lag. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en verklaarde de beroepen tegen de verlaging en terugvordering ongegrond.
Wat betreft de boete stelde de Raad vast dat betrokkene geen medische onderbouwing gaf voor het niet melden van werkzaamheden. De Raad overwoog dat het UWV niet verplicht was betrokkene vooraf te wijzen op het zwijgrecht tijdens verhoren. De boete werd vastgesteld op €230, lager dan eerder opgelegd, conform het geldende Boetebesluit. Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkene en vergoedde het griffierecht.
Uitkomst: De Raad legt een boete van €230 op, verklaart beroepen tegen verlaging en terugvordering ongegrond en veroordeelt het UWV in proceskosten.