ECLI:NL:CRVB:2000:AA6848
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch.J.G. Olde Kalter
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens te late hersteldmelding op grond van de Ziektewet
Appellante, een B.V., kreeg een boete van 1.000 gulden opgelegd door het Landelijk instituut sociale verzekeringen wegens het niet tijdig melden van het herstel van een werknemer volgens artikel 38 van Pro de Ziektewet. De werknemer was arbeidsongeschikt geworden op 3 oktober 1996 en hersteld verklaard per 3 februari 1997. Gedaagde stelde dat de hersteldmelding pas op 3 juli 1997 was ontvangen, terwijl appellante stelde dat de melding tijdig en schriftelijk was verzonden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat appellante niet had bewezen dat de hersteldmelding eerder was gedaan dan 3 juli 1997. De Raad benadrukte dat de bewijslast bij appellante lag om de tijdige verzending en ontvangst aan te tonen.
Verder overwoog de Raad dat hoewel per 1 januari 1998 de wet was gewijzigd waardoor lichtere boetes mogelijk werden, deze wetswijziging niet van toepassing was op de onderhavige overtreding. Op grond van het Besluit boete ZW/WAO is de boete afhankelijk van het aantal dagen te late melding. Aangezien de melding meer dan 28 dagen te laat was, was de maximale boete van 1.000 gulden terecht opgelegd.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De boete van 1.000 gulden wegens te late hersteldmelding wordt bevestigd.