ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar en bijstandaanvragen in WWB-zaken met termijnoverschrijding
Appellante ontving vanaf 1 februari 2006 AOW- en ABP-pensioen en vroeg op 5 april 2006 aanvullende bijstand aan, welke aanvraag op 2 mei 2006 buiten behandeling werd gesteld wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens. Een tweede aanvraag op 18 mei 2006 werd eveneens afgewezen. Pas op 23 november 2007 diende appellante een nieuwe aanvraag in, waarop vanaf die datum bijstand werd verleend.
Het College verklaarde het bezwaar tegen de besluiten van 2 mei en 8 augustus 2006 niet-ontvankelijk vanwege termijnoverschrijding. De rechtbank bevestigde dit, maar de Raad oordeelt dat de brief van 15 mei 2006 als tijdig bezwaarschrift moet worden gezien tegen het besluit van 2 mei 2006, waardoor het College dit ten onrechte niet-ontvankelijk verklaarde. Het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2006 is echter terecht niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare overschrijding.
De Raad bevestigt dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Dergelijke omstandigheden zijn niet gebleken. Het beroep tegen het besluit van 13 december 2007 wordt bevestigd. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 2 mei 2006 wordt ongegrond verklaard, het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2006 is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 13 december 2007 wordt bevestigd.