ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuiskosten en eerste maand huur wegens ontbreken noodzakelijkheid en dringende redenen
Appellante diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor kosten gerelateerd aan haar verhuizing van Amsterdam naar een andere plaats, waaronder eerste maand huur, borg, administratiekosten, verhuiskosten en inrichtingskosten. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af, stellende dat appellante de eerste maand huur en bijkomende kosten zelf had voldaan door geld te lenen bij haar moeder, en dat verhuiskosten niet noodzakelijk waren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gedeeltelijk gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit grotendeels in stand. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij de kosten moest voldoen bij het tekenen van het huurcontract en dat de verhuizing noodzakelijk was vanwege het ontbreken van schuldhulpverlening in Amsterdam.
De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij geen mogelijkheid had gehad om vooraf een aanvraag bijzondere bijstand in te dienen en dat de lening bij haar moeder de aanvraag feitelijk betrof tot aflossing van een schuld, waarvoor geen bijstand kan worden verleend. Ook werd niet vastgesteld dat de verhuizing noodzakelijk was, mede omdat schuldhulpverlening in Amsterdam beschikbaar was en appellante een aflossingsregeling met een schuldhulpverlener had getroffen.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor verhuiskosten en eerste maand huur wordt bevestigd wegens ontbreken van dringende redenen en noodzakelijkheid.