ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9568
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering zonder verboden reformatio in peius
Appellante, die sinds 1996 arbeidsongeschikt is door hoofdpijn en nekklachten na een ongeval, kreeg haar WAO-uitkering herzien door het UWV. De uitkering werd verhoogd van 45-55% naar 55-65% arbeidsongeschiktheid per 27 juni 2008. Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening, stellende dat er aanvullende beperkingen moesten worden aangenomen en dat sprake was van een ontoelaatbare reformatio in peius.
De rechtbank Amsterdam onderschreef het standpunt van het UWV dat appellante ondanks beperkingen geschikt was voor bepaalde functies en dat het bezwaar ongegrond was. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en voerde zij aan dat zij sinds augustus 2010 onder behandeling was bij GGZ inGeest voor een aanpassingsstoornis met depressieve stemming. Het UWV handhaafde haar standpunt, onderbouwd met een rapport van bezwaarverzekeringsarts Koek.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat geen sprake was van een verboden reformatio in peius, dat de medische situatie op de datum in geding niet anders was dan vastgesteld en dat het verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash associated disorder I/II niet van toepassing was omdat het pas in 2009 in werking trad. De Raad vond de arbeidskundige motivering voldoende en zag geen reden tot benoeming van een deskundige. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en verklaart het bezwaar ongegrond.