ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- R.H.M. Roelofs
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking nabestaandenuitkering wegens onterecht aangenomen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 2006 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok deze uitkering per 1 april 2007 in, omdat zij aannam dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met een inwonende persoon, D., geboren in 1984. Appellante stelde dat zij D. slechts een kamer verhuurde tegen een maandelijkse huur van €150 en dat er geen sprake was van wederzijdse zorg of financiële verstrengeling.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad beoordeelde of sprake was van wederzijdse zorg, een vereiste voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, derde lid, van de Anw. Uit de overgelegde kwitanties bleek dat de betalingen van D. een bijdrage in de woonlasten waren, zonder verdere financiële verstrengeling. Ook ontbraken andere feiten die wederzijdse zorg aannemelijk maakten.
Hoewel appellante enige zorg aan D. verleende, was er geen bewijs dat D. zorg aan appellante bood. Het gezamenlijk nuttigen van een broodje en koffie werd niet als zorg aangemerkt. De Raad concludeerde dat de intrekking van de uitkering op onjuiste gronden was gebaseerd en vernietigde het besluit van de Svb. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wordt vernietigd wegens het ontbreken van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling.