ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9998
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om terug te komen op weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, met een visuele handicap, heeft meerdere aanvragen gedaan voor een Wajong-uitkering. Na eerdere afwijzingen in 2001 en 2003, die niet in rechte zijn aangevochten, diende appellant in 2007 een derde aanvraag in. Deze werd door het Uwv afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven om het eerdere besluit te herzien.
Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde omdat er geen juridisch relevante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de eerdere besluiten onvoldoende waren gemotiveerd en verwees naar zijn status als vluchteling en het arbeidsverleden van zijn ouders.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 4:6 Awb Pro bij een nieuwe aanvraag zonder nieuwe feiten het bestuursorgaan de aanvraag kan afwijzen door te verwijzen naar het eerdere besluit. De stelling van appellant over het arbeidsverleden van zijn ouders werd niet als nieuw feit aangemerkt. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op de weigering van de Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.