ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9998

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1488 Wajong
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om terug te komen op weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant, met een visuele handicap, heeft meerdere aanvragen gedaan voor een Wajong-uitkering. Na eerdere afwijzingen in 2001 en 2003, die niet in rechte zijn aangevochten, diende appellant in 2007 een derde aanvraag in. Deze werd door het Uwv afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven om het eerdere besluit te herzien.

Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde omdat er geen juridisch relevante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de eerdere besluiten onvoldoende waren gemotiveerd en verwees naar zijn status als vluchteling en het arbeidsverleden van zijn ouders.

De Raad oordeelde dat op grond van artikel 4:6 Awb Pro bij een nieuwe aanvraag zonder nieuwe feiten het bestuursorgaan de aanvraag kan afwijzen door te verwijzen naar het eerdere besluit. De stelling van appellant over het arbeidsverleden van zijn ouders werd niet als nieuw feit aangemerkt. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op de weigering van de Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

09/1488 Wajong
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 januari 2009, 07/8956 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.C. Mourits, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2011. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, geboren [in] 1981, heeft een visuele handicap. Appellant heeft twee maal een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) gedaan. Dit heeft geleid tot een besluit op bezwaar van 3 april 2001 en een besluit op bezwaar van 28 april 2003 waarbij de Wajong-uitkering is ontzegd. Bij het laatste besluit heeft het Uwv gemotiveerd en toegelicht waarom appellant niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Appellant heeft de beide besluiten op bezwaar niet in rechte aangevochten.
1.2. Op 5 maart 2007 heeft appellant een derde aanvraag om een Wajong-uitkering gedaan. Bij besluit van 21 maart 2007 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen onder de overweging dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat het besluit van 28 april 2003 onjuist zou zijn om welke reden het Uwv dan ook heeft besloten niet terug te komen op het besluit van 28 april 2003.
1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 maart 2007. Bij besluit van 31 oktober 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het eerder ingenomen standpunt herhaald dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die er toe kunnen leiden om op de beoordeling van de aanvraag voor een Wajong-uitkering terug te komen.
2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was van juridisch relevante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank waren de door appellant aangevoerde gronden voor herziening bij verweerder bekend dan wel niet van toepassing op appellant. De rechtbank oordeelde dan ook dat het Uwv in redelijkheid tot afwijzing van het verzoek om terug te komen heeft kunnen besluiten.
3. Appellant heeft in hoger beroep gesteld - althans, zo begrijpt de Raad dat beroep - dat de eerdere besluiten van het Uwv aangaande de afwijzing van de Wajong-uitkering onvoldoende zijn gemotiveerd. Daarbij wijst appellant onder meer de zogenaamde A-status die aan hem als vluchteling is toegekend terwijl hij tevens stelt dat zijn ouders lang genoeg hebben gewerkt om hem in aanmerking voor een Wajong-uitkering te brengen. Verder heeft hij er bezwaar tegen dat aan de hand van het verleden van anderen, in dit geval het arbeidsverleden van zijn ouders, moet worden bepaald of hem een Wajong-uitkering toekomt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
4.2. Bij de besluiten van 3 april 2001 en 28 april 2003 heeft het Uwv afwijzend beslist op aanvragen om een Wajong-uitkering. Die besluiten zijn in rechte onaantastbaar geworden. De nieuwe aanvraag van dezelfde strekking heeft appellant op 5 maart 2007 ingediend. Daarbij zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb vermeld. De stelling van appellant aangaande het arbeidsverleden van zijn ouders wordt niet als zodanig aangemerkt, terwijl de overige van belang zijnde gegevens reeds bekend en besproken waren in het kader van de besluiten van 3 april 2001 en 28 april 2003.
4.3. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering daarvan onder meer te verwijzen naar het besluit van 28 april 2003. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) T.J. van der Torn.
NW