ECLI:NL:CRVB:2011:BR1180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen opschorting bijstandsuitkering
Appellante maakte bezwaar tegen de opschorting van haar bijstandsuitkering door het College van burgemeester en wethouders van Utrecht. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het College geen gebruik maakte van de bevoegdheid om de bijstand in te trekken en de uitbetaling na deblokkering werd hervat. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens niet-ontvankelijk, omdat het beroepschrift geen concrete gronden bevatte en appellante deze niet binnen de gestelde termijn had aangevuld.
In hoger beroep stelde appellante dat zij wel binnen de termijn beroepsgronden had aangevoerd in een brief van 12 november 2010. De Raad toetste dit en oordeelde dat deze brief geen concrete beroepsgronden bevatte, maar slechts het standpunt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard. De Raad benadrukte dat een beroepschrift een concrete motivering moet bevatten waarop het bezwaar is gebaseerd.
De Raad concludeerde dat de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk had verklaard en dat de rechtbank binnen haar bevoegdheid handelde, mede gezien de bijstand van een advocaat door appellante. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de opschorting van bijstand wordt bevestigd als niet-ontvankelijk verklaard.